1Daarop nam Sofar van Naäma het woord en sprak:stylusHosea 4:11, Hosea 4:11, Efeziërs 5:18, Efeziërs 5:18, Jesaja 28:72Mijn inzicht dwingt mij tot antwoord, Omdat het in mij stormt,stylusSpreuken 19:12, Spreuken 19:12, Prediker 10:4, Spreuken 8:36, 1 Koningen 2:233Nu ik een grievend verwijt moet horen, En domme bluf mij antwoord geeft.stylusSpreuken 16:32, Spreuken 16:32, Spreuken 17:14, Spreuken 17:14, Efeziërs 4:324Weet ge dan niet, dat van de vroegste tijd af, Sinds de mens op de aarde werd geplaatst,stylusSpreuken 10:4, Spreuken 10:4, Spreuken 19:15, Spreuken 19:15, 2 Petrus 1:55Het gejuich van den boze slechts korte tijd duurt, De vreugde van den goddeloze een ogenblik?stylusSpreuken 18:4, Spreuken 18:4, 1 Korintiërs 2:11, 1 Korintiërs 2:11, Psalmen 64:66Al verheft zijn gestalte zich hemelhoog, En reikt zijn hoofd tot de wolken:stylusPsalmen 12:1, Psalmen 12:1, Mattheüs 6:2, Mattheüs 6:2, Lucas 18:87Als zijn eigen drek verdwijnt hij voor immer, Die hem zagen, roepen: Waar is hij?stylusPsalmen 112:2, Psalmen 112:2, Psalmen 37:26, Psalmen 37:26, Jeremia 32:398Spoorloos vervluchtigt hij als een droom, Wordt weggevaagd als een nachtgezicht;stylusSpreuken 20:26, Spreuken 25:5, Spreuken 20:26, Spreuken 25:5, Psalmen 99:49Het oog, dat hem zag, bespeurt hem niet langer, De plaats, waar hij woonde, aanschouwt hem niet meer.stylusPrediker 7:20, Prediker 7:20, 1 Koningen 8:46, 1 Johannes 1:8, 1 Johannes 1:1010Zijn zonen bedelen bij armen, Zijn kinderen geven zijn rijkdom af;stylusSpreuken 20:23, Spreuken 11:1, Spreuken 20:23, Spreuken 11:1, Deuteronomium 25:1311En al is zijn gebeente vol jeugdige kracht, Het legt zich neer bij hem in het graf.stylusMattheüs 7:16, Mattheüs 7:16, Lucas 6:43, Lucas 6:44, Spreuken 21:812Hoe zoet het slechte in zijn mond mag smaken, Hoe hij het onder zijn tong ook verbergt,stylusPsalmen 94:9, Mattheüs 13:13, Mattheüs 13:16, Psalmen 94:9, Mattheüs 13:1313Hoe hij het smekt en niet doorslikt, En het tegen zijn gehemelte houdt:stylusSpreuken 19:15, Spreuken 19:15, Romeinen 12:11, Romeinen 12:11, Spreuken 12:1114Toch verschaalt zijn spijs in zijn ingewanden, Wordt in zijn binnenste adderengif;stylus1 Tessalonicenzen 4:6, 1 Tessalonicenzen 4:6, Hosea 12:7, Hosea 12:8, Hosea 12:715Hij slokt schatten in, maar braakt ze uit, God drijft ze weer uit zijn buik.stylusSpreuken 25:12, Spreuken 8:11, Spreuken 25:12, Spreuken 8:11, Spreuken 16:2416Adderengif moet hij drinken, Een slangentong zal hem doden;stylusSpreuken 27:13, Spreuken 27:13, Exodus 22:26, Exodus 22:27, Spreuken 22:2617Hij zal geen beken van olie genieten, Geen stromen van honing en boter.stylusSpreuken 9:17, Spreuken 9:18, Prediker 11:9, Spreuken 9:17, Spreuken 9:1818Zijn winst geeft hij terug, en slokt ze niet door, Verheugt zich niet in de vrucht van zijn handel;stylusSpreuken 24:6, Spreuken 24:6, Spreuken 15:22, Lucas 14:31, Spreuken 15:2219Want hij heeft de armen verdrukt en verlaten, Hun huis geroofd, niet gebouwd.stylusSpreuken 11:13, Spreuken 11:13, Spreuken 18:8, Spreuken 13:3, Romeinen 16:1820Omdat hij voor zijn buik geen verzadiging vond, Niets aan zijn eetlust ontsnapte,stylusExodus 21:17, Exodus 21:17, Spreuken 30:11, Spreuken 30:11, Spreuken 24:2021En niets aan zijn vraatzucht ontging: Daarom houdt zijn voorspoed geen stand!stylusSpreuken 13:22, Spreuken 13:22, 1 Timotheüs 6:9, 1 Timotheüs 6:9, Habakuk 2:622Op het toppunt van zijn geluk wordt het hem bang, Wordt hij door al de slagen van rampspoed getroffen;stylusRomeinen 12:17, Romeinen 12:19, Romeinen 12:17, Romeinen 12:19, 1 Tessalonicenzen 5:1523Terwijl hij zijn buik vult, laat God zijn ziedende toorn op hem los, Laat schichten regenen op zijn ingewanden.stylusSpreuken 20:10, Spreuken 20:10, Spreuken 11:1, Ezechiël 45:10, Hosea 12:724Als hij vlucht voor de ijzeren wapenrusting, Doorboort hem de koperen boog,stylusJeremia 10:23, Jeremia 10:23, Spreuken 16:9, Spreuken 16:9, Psalmen 25:1225Puilt de schicht uit zijn rug, De bliksemende pijl uit zijn gal. Dan overvalt hem de doodschrik,stylusPrediker 5:4, Prediker 5:6, Prediker 5:4, Prediker 5:6, Mattheüs 5:3326De diepste duisternis houdt hem omvangen; Een vuur verslindt hem, dat niet is ontstoken, Vreet weg wat nog leeft in zijn tent.stylusSpreuken 20:8, Spreuken 20:8, Psalmen 101:5, Psalmen 101:8, 2 Samuël 4:927De hemelen openbaren zijn schuld, En de aarde staat tegen hem op;stylus1 Korintiërs 2:11, 1 Korintiërs 2:11, Hebreeën 4:12, Hebreeën 4:13, Hebreeën 4:1228Een stortvloed spoelt zijn woning weg, Een vloedgolf op de dag van zijn toorn!stylusSpreuken 16:12, Spreuken 29:14, Spreuken 16:12, Spreuken 29:14, Spreuken 16:629Dit is het lot van den boze, door God hem bedeeld, Het erfdeel, dat de Godheid hem toewijst!stylus1 Johannes 2:14, 1 Johannes 2:14, Spreuken 16:31, Spreuken 16:31, Leviticus 19:32