1Job antwoordde, en sprak:stylusSpreuken 28:6, Spreuken 28:6, Mattheüs 16:26, Spreuken 16:8, Mattheüs 16:262Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren?stylusSpreuken 21:5, Spreuken 21:5, Spreuken 29:20, Filippenzen 1:9, Spreuken 29:203Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos.stylusOpenbaring 16:9, Openbaring 16:11, Openbaring 16:9, Openbaring 16:11, Numeri 16:194Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen;stylusSpreuken 14:20, Spreuken 14:20, Lucas 15:13, Lucas 15:15, Spreuken 19:65Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten!stylusSpreuken 21:28, Spreuken 21:28, Spreuken 6:19, Spreuken 19:9, Spreuken 6:196Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt!stylusSpreuken 29:26, Spreuken 18:16, Spreuken 29:26, Spreuken 18:16, Spreuken 17:87Zie, ik roep: "Geweld!" maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht!stylusSpreuken 19:4, Spreuken 19:4, 1 Johannes 3:17, 1 Johannes 3:18, 1 Johannes 3:178Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd;stylusSpreuken 16:20, Spreuken 16:20, Spreuken 8:35, Spreuken 8:36, Spreuken 3:189Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt.stylusOpenbaring 22:15, Openbaring 22:15, Spreuken 19:5, Spreuken 19:5, Openbaring 21:810Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom,stylusSpreuken 30:21, Spreuken 30:22, Spreuken 30:21, Spreuken 30:22, Spreuken 26:111Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld.stylusSpreuken 16:32, Spreuken 16:32, Spreuken 14:29, Spreuken 14:29, Jakobus 1:1912Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade!stylusHosea 14:5, Hosea 14:5, Spreuken 20:2, Spreuken 16:14, Spreuken 16:1513Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij;stylusSpreuken 21:9, Spreuken 27:15, Spreuken 21:9, Spreuken 27:15, Spreuken 10:114Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten.stylusSpreuken 18:22, Spreuken 18:22, Spreuken 31:10, Spreuken 31:31, Spreuken 31:1015Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar;stylusSpreuken 23:21, Spreuken 23:21, Spreuken 20:13, Spreuken 20:13, Spreuken 24:3316Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om.stylusSpreuken 13:13, Lucas 10:28, Spreuken 13:13, Lucas 10:28, Lucas 11:2817Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen;stylusSpreuken 28:27, Spreuken 28:27, Hebreeën 6:10, Hebreeën 6:10, Lucas 6:3818Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed.stylusSpreuken 13:24, Spreuken 13:24, Spreuken 29:15, Spreuken 29:15, Spreuken 23:1319Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af;stylusSpreuken 25:28, Spreuken 25:28, 1 Samuël 24:17, 1 Samuël 24:22, 2 Samuël 16:520Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af.stylusSpreuken 12:15, Spreuken 12:15, Spreuken 8:34, Spreuken 8:35, Spreuken 8:3421Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt;stylusSpreuken 16:9, Spreuken 16:9, Jesaja 14:24, Jesaja 14:24, Spreuken 16:122Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees!stylusMarcus 14:6, Marcus 14:8, 2 Korintiërs 8:12, Spreuken 19:1, Marcus 14:623O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek,stylusSpreuken 14:26, Spreuken 14:27, Mattheüs 5:6, Spreuken 14:26, Spreuken 14:2724Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift:stylusSpreuken 15:19, Spreuken 15:19, Spreuken 6:9, Spreuken 6:10, Spreuken 6:925Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt;stylusSpreuken 21:11, Spreuken 21:11, Spreuken 17:10, Spreuken 15:5, Spreuken 17:1026Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen!stylusSpreuken 17:2, Spreuken 10:5, Spreuken 17:2, Spreuken 10:5, Spreuken 23:2227Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot,stylusMarcus 4:24, Marcus 4:24, 1 Timotheüs 6:3, 1 Timotheüs 6:5, 1 Timotheüs 6:328En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden;stylusJob 15:16, Job 15:16, Job 34:7, Job 34:7, Job 20:1229Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is!stylusSpreuken 26:3, Spreuken 26:3, Spreuken 10:13, Spreuken 10:13, Spreuken 9:12