1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:stylusEfeziërs 5:15, Efeziërs 5:17, Efeziërs 5:15, Efeziërs 5:17, Spreuken 2:12Wanneer maakt gij eindelijk eens een eind aan uw praten, Wordt gij verstandig, en laat ons aan het woord;stylusSpreuken 1:7, Spreuken 1:7, Spreuken 12:23, Spreuken 12:23, Psalmen 1:13Waarom worden wij als vee beschouwd, En zijn wij zo dom in uw ogen?stylusSpreuken 22:10, Spreuken 22:10, Spreuken 11:2, 1 Petrus 4:14, Spreuken 29:164Gij, die in uw woede uzelf verscheurt: Zou om uwentwil de aarde worden ontvolkt, Een rots van haar plaats verwijderd, Een berg van zijn grondslag gerukt?stylusSpreuken 10:11, Spreuken 20:5, Spreuken 10:11, Spreuken 20:5, Kolossenzen 4:65Waarachtig, het licht van den boze dooft uit, De vlam van zijn vuur blijft niet schijnen;stylusLeviticus 19:15, Leviticus 19:15, Deuteronomium 16:19, Spreuken 28:21, Deuteronomium 16:196Het licht wordt donker in zijn tent, De lamp gaat boven hem uit.stylusSpreuken 27:3, Spreuken 27:3, Spreuken 16:27, Spreuken 16:28, Spreuken 22:247Zijn krachtige tred wordt verlamd, Zijn eigen beleid doet hem struikelen;stylusSpreuken 13:3, Spreuken 13:3, Spreuken 10:14, Spreuken 12:13, Spreuken 10:148Want door zijn eigen voeten wordt hij in het net gedreven, En wandelt hij over de mazen.stylusSpreuken 12:18, Spreuken 16:28, Leviticus 19:16, Spreuken 12:18, Spreuken 16:289Een klem grijpt zijn hiel, een net houdt hem vast.stylusSpreuken 10:4, Spreuken 10:4, Hebreeën 6:12, Hebreeën 6:12, Spreuken 23:2010Zijn strik ligt in de grond verborgen, een val op zijn pad;stylus2 Samuël 22:3, 2 Samuël 22:3, Psalmen 91:2, Psalmen 91:2, Jesaja 26:411Verschrikkingen beangstigen hem van alle kant, En vervolgen hem, stap voor stap.stylusSpreuken 10:15, Spreuken 10:15, Prediker 7:12, Prediker 7:12, Deuteronomium 32:3112Het onheil hongert naar hem, De rampspoed staat aan zijn zijde gereed;stylusSpreuken 15:33, Spreuken 15:33, 1 Petrus 5:5, 1 Petrus 5:5, Spreuken 16:1813Zijn huid wordt door ziekte verteerd, De eersteling van de dood slokt zijn leden op.stylusJohannes 7:51, Johannes 7:51, Deuteronomium 13:14, Deuteronomium 13:14, Spreuken 20:2514Hij wordt uit zijn tent gerukt, waar hij zich veilig waande, En zij sleept hem naar den vorst der verschrikkingstylusSpreuken 15:13, Spreuken 15:13, Spreuken 17:22, 2 Korintiërs 12:9, 2 Korintiërs 12:1015Zij woont in zijn tent, die hem niet langer behoort, En over zijn woning wordt zwavel gestrooid.stylusJakobus 1:5, Jakobus 1:5, Spreuken 15:14, Spreuken 15:14, 1 Koningen 3:916Van onderen verdorren zijn wortels, Van boven verwelken zijn twijgen;stylusSpreuken 19:6, Genesis 43:11, Spreuken 19:6, Genesis 43:11, Genesis 33:1017Zijn gedachtenis verdwijnt uit het land, Zelfs in de steppe heeft hij geen naam.stylusSpreuken 18:13, Spreuken 18:13, Handelingen 24:12, Handelingen 24:13, Handelingen 24:1218Men stoot hem uit het licht de duisternis in, Men jaagt hem uit de wereld weg;stylusSpreuken 16:33, Spreuken 16:33, Nehemia 11:1, Nehemia 11:1, 1 Kronieken 24:3119Hij heeft onder zijn volk geen kroost, geen geslacht, In zijn woonplaats geen, die hem rest.stylusSpreuken 16:32, Spreuken 16:32, Spreuken 6:19, Genesis 37:18, Genesis 37:2720Over zijn lot staat het Westen ontsteld, En het Oosten siddert er van:stylusSpreuken 25:11, Spreuken 25:12, Spreuken 12:13, Spreuken 12:14, Spreuken 25:1121Waarachtig, zo gaat het met het verblijf van den boze, Met de woonplaats van hem, die God miskent!stylusEfeziërs 4:29, Efeziërs 4:29, Mattheüs 12:35, Mattheüs 12:37, Mattheüs 12:35