1Wel heeft Hij smaad gebracht over Zabulons land, Over het land van Neftali in vroegere tijden: Maar in de eindtijd herstelt Hij in ere De weg naar de zee, De overkant van de Jordaan, Het gewest van de heidenen.stylusDaniël 11:1, Daniël 11:1, Daniël 1:21, Daniël 5:31, Daniël 6:12Het volk, dat in duisternis wandelt, Zal dan een helder licht aanschouwen; Die wonen in het dal van de schaduw des doods, Een glans zal over hen stralen!stylusJeremia 29:10, Jeremia 29:10, Jeremia 25:11, Jeremia 25:12, Jeremia 25:113Gij zult hun vreugde vermeerderen, hun blijdschap vergroten; Vrolijk zullen ze zijn voor uw aanschijn, Zoals men vrolijk is bij de oogst, Zoals men blij is bij het verdelen van buit!stylusJeremia 33:3, Jeremia 33:3, Jeremia 29:10, Jeremia 29:13, Jeremia 29:104Want het juk, dat hem drukte, Het blok op zijn schouders, De stok van zijn drijver Breekt Gij als op de dag van Midjan stuk.stylusRomeinen 8:28, Romeinen 8:28, Exodus 20:6, Exodus 20:6, Deuteronomium 5:105Alle dreunend stampende laarzen En in bloed geverfde mantels Zullen worden verbrand, Door de vlammen verteerd.stylusMaleachi 3:7, Daniël 9:11, Maleachi 3:7, Daniël 9:11, Daniël 9:156Want een Kind is ons geboren, een Zoon ons geschonken; De heerschappij wordt op zijn schouders gelegd. En zijn naam wordt genoemd: Wonderbaar raadsman, Goddelijke held, Vader voor immer, Vorst van de vrede!stylus2 Kronieken 36:15, 2 Kronieken 36:16, 2 Kronieken 36:15, 2 Kronieken 36:16, Daniël 9:107Grote macht zal Hij brengen, en eindeloze vrede Aan Davids huis en zijn rijk. Hij zal het steunen en stutten met recht en gerechtigheid Nu en voor immer: De ijver van Jahweh der heirscharen brengt het tot stand!stylusJeremia 3:25, Deuteronomium 4:27, Daniël 9:8, Psalmen 44:15, Jeremia 2:268De Heer heeft een woord tot Jakob gezonden, En het valt in Israël neer;stylusDaniël 9:6, Daniël 9:7, Daniël 9:6, Daniël 9:7, Klaagliederen 3:429Het hele volk zal het ondervinden: Efraïm en de bewoners van Samaria! Want ze hebben gezegd in hun trots, En in de hoogmoed des harten:stylusEfeziërs 1:6, Efeziërs 1:8, Efeziërs 1:6, Efeziërs 1:8, Daniël 9:710De baksteen gevallen: we herbouwen met hardsteen; De moerbei geveld: ceders planten wij in haar plaats!stylusDaniël 9:6, Daniël 9:6, 2 Koningen 18:12, 2 Koningen 18:12, Nehemia 9:1311Jahweh vuurde de verdrukkers van Resin tegen hen aan, En hitste de vijanden tegen hen op;stylusJeremia 8:5, Jeremia 8:10, Jeremia 8:5, Jeremia 8:10, Deuteronomium 28:1512Aram ten oosten, de Filistijnen ten westen Hebben Israël verslonden met gulzige mond; Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft naar hen uitgestrekt!stylusEzechiël 5:9, Ezechiël 5:9, Klaagliederen 1:12, Jesaja 44:26, Klaagliederen 1:1213Want het volk bekeerde zich niet tot Hem, die het sloeg, En zocht Jahweh der heirscharen niet.stylusDeuteronomium 28:15, Deuteronomium 28:68, Daniël 9:11, Deuteronomium 28:15, Deuteronomium 28:6814Daarom heeft Jahweh Israël kop en staart afgehouwen, Palmtak en riet op één dag:stylusDaniël 9:7, Daniël 9:7, Nehemia 9:33, Nehemia 9:33, Psalmen 51:1415De oudsten en edelen waren de kop, De leugenprofeten de staart;stylusNehemia 9:10, Nehemia 9:10, Nehemia 1:10, Exodus 6:1, Exodus 32:1116Die dit volk moesten leiden, zijn zijn verleiders, Die geleid moesten worden, zijn op een doolweg gebracht.stylusZacharia 8:3, Zacharia 8:3, Psalmen 87:1, Psalmen 87:3, Psalmen 31:117Daarom spaarde de Heer hun jongelingen niet, Ontfermde zich niet over hun weduwen en wezen; Want ze zijn allen godvergeten en boos, En iedere mond spreekt goddeloze taal; Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!stylusPsalmen 80:19, Psalmen 80:19, Klaagliederen 5:18, Klaagliederen 5:18, Psalmen 80:718Want de goddeloosheid brandt als een vuur, Dat doornen en distels verteert, Het dichte woud in vlammen zet, En in dwarrelende rookwolken hult.stylusJesaja 37:17, Jesaja 37:17, Jeremia 36:7, Jeremia 36:7, 2 Koningen 19:1619Door de gramschap van Jahweh is het land ontredderd, Het volk tot menseneters verlaagd:stylusDaniël 9:18, Daniël 9:18, Lucas 11:8, Amos 7:2, Lucas 11:820Men hapt naar rechts, en nog heeft men honger, Men bijt naar links, en wordt niet verzadigd. (18c) Niemand spaart zijn eigen broer, En allen verslinden het vlees van hun kroost:stylusPsalmen 145:18, Psalmen 145:18, Daniël 9:3, Daniël 9:4, Daniël 9:321Manasse Efraïm, Efraïm Manasse, En met elkander weer Juda. Maar toch bedaart zijn gramschap niet. Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!stylusDaniël 8:16, Lucas 1:19, Daniël 8:16, Lucas 1:19, Daniël 10:16