1Ik kom in mijn hof, mijn zuster, bruid; Ik pluk er mijn mirre en balsem, Ik eet er mijn raat en mijn honing, Ik drink er mijn wijn en mijn melk! "Eet vrienden, en drinktl, En wordt dronken van liefde!"stylusGenesis 18:23, Genesis 18:32, Genesis 18:23, Genesis 18:32, Ezechiël 22:302Ik sluimerde, maar mijn hart was wakker: Daar hoorde ik mijn beminde kloppen! "Doe open, mijn zuster, Mijn liefste, mijn duifje, mijn schoonste; Want mijn hoofd is nat van de dauw, Mijn lokken zijn klam van de nacht."stylusTitus 1:16, Titus 1:16, Jeremia 4:2, Jeremia 4:2, Jesaja 48:13"Maar ik heb mijn kleed al uitgetrokken; Moet ik het nu dan weer aandoen? Ik heb mijn voeten al gewassen, Moet ik ze nu opnieuw gaan besmeuren?"stylusJeremia 2:30, Jeremia 7:28, Jeremia 2:30, Jeremia 7:28, 2 Kronieken 16:94Maar mijn beminde stak reeds zijn hand Door de kier van de deur;stylusJeremia 8:7, Hosea 4:6, Jeremia 8:7, Hosea 4:6, Mattheüs 11:55Ik stond op, om mijn beminde open te doen: Daar dropen mijn handen van mirre, Van vloeiende mirre mijn vingers Op de knop van de grendel.stylusJeremia 2:20, Jeremia 2:20, Jakobus 2:5, Jakobus 2:7, Jakobus 2:56Ik deed open voor mijn beminde…..Maar mijn beminde was heen, was verdwenen…..Ik zocht naar hem, ik vond hem niet, Ik riep, hij gaf mij geen antwoord. Ik verloor mijn bezinning, toen hij zo sprak En het stormde in mijn hart.stylusJeremia 4:7, Sefanja 3:3, Habakuk 1:8, Jeremia 4:7, Sefanja 3:37Weer troffen mij de wachters der stad bij hun rondgang, Ze sloegen mij en wondden mij; Mijn mantel namen ze mij af, De wachters der muren.stylusGalaten 4:8, Galaten 4:8, Jozua 23:7, Deuteronomium 32:21, Jeremia 2:118Ik bezweer u, Jerusalems dochters, Als gij mijn beminde vindt, Wat zult gij hem melden: Ach, dat ik krank ben van liefde!stylusJeremia 13:27, Jeremia 13:27, Ezechiël 22:11, Ezechiël 22:11, Genesis 39:99Wat is uw beminde dan meer dan een ander, Schoonste der vrouwen; Wat is uw beminde dan meer dan een ander, Dat ge zó ons bezweert?stylusJeremia 9:9, Jeremia 9:9, Jeremia 5:29, Jeremia 5:29, Ezechiël 5:1310Mijn beminde is glanzend en blozend. Steekt boven tienduizenden uit;stylusJeremia 4:27, Jeremia 4:27, Psalmen 78:61, Psalmen 78:62, Mattheüs 22:711Zijn hoofd het allerfijnste goud, Zijn lokken palmtakken, zwart als een raaf.stylusJeremia 3:20, Jeremia 3:20, Jesaja 48:8, Jesaja 48:8, Hosea 6:712Zijn ogen als duiven Aan de waterbeken, Die zich baden in melk Aan de volle vijver gezeten.stylus2 Kronieken 36:16, 2 Kronieken 36:16, Deuteronomium 29:19, 1 Samuël 6:9, Jesaja 28:1413Zijn wangen zijn als balsembedden, Waar geurige kruiden op groeien; Zijn lippen zijn lelies, En druipen van vloeiende mirre.stylusJeremia 14:15, Jeremia 14:15, Jeremia 14:13, Job 8:2, Jeremia 14:1314Zijn armen zijn gouden cilinders, Met Tarsjisjstenen bezet; Zijn lijf een kolom van ivoor, Met saffieren bedekt.stylusJeremia 23:29, Jeremia 1:9, Jeremia 23:29, Jeremia 1:9, Hosea 6:515Zijn schenkels zijn zuilen van marmer, Op gouden voetstukken rustend; Zijn gestalte is als de Libanon, En machtig als ceders.stylusDeuteronomium 28:49, Deuteronomium 28:49, Jeremia 4:16, Jeremia 4:16, Jesaja 5:2616Zijn keel is vol zoetheid, Een en al kostelijk…. Zo is mijn beminde, zo is mijn vriend, Jerusalems dochters!stylusJesaja 5:28, Jesaja 5:28, Psalmen 5:9, Psalmen 5:9, Romeinen 3:1317Maar waarheen is uw beminde gegaan, Schoonste der vrouwen; Waarheen is uw beminde geweken, Wij willen met u hem gaan zoeken!stylusLeviticus 26:16, Deuteronomium 28:33, Leviticus 26:16, Deuteronomium 28:33, Klaagliederen 2:2