1Wat zijt ge verrukkelijk, mijn liefste: Uw ogen liggen als duiven achter uw sluier, Uw lokken zijn als een kudde geiten, Die neergolft van Gilads gebergte.stylusJoël 2:12, Joël 2:12, Jeremia 3:22, Jeremia 3:22, Genesis 35:22Uw tanden als een kudde, die pas is geschoren, En zo uit het bad; Die allen tweelingen hebben, Waarvan er geen enkel ontbreekt.stylusJesaja 65:16, Jesaja 65:16, Jeremia 9:24, Genesis 22:18, Jeremia 9:243Als een band van purper uw lippen, Aanminnig uw mond; Als granatenhelften blozen uw wangen Door uw sluier heen.stylusHosea 10:12, Hosea 10:12, Lucas 8:14, Lucas 8:7, Lucas 8:144Uw hals als de toren van David, Gebouwd met kantélen: Duizend schilden hangen er aan, Louter rondassen van helden.stylusDeuteronomium 10:16, Deuteronomium 10:16, Romeinen 2:28, Romeinen 2:29, Romeinen 2:285Uw beide borsten twee welpen, Tweelingen van de gazel, die in de leliën weiden,stylusJeremia 8:14, Jeremia 8:14, Jozua 10:20, Jeremia 6:1, Jozua 10:206Totdat de dag is afgekoeld En de schaduwen vlieden. Ik wil naar de berg van mirre gaan En naar de heuvel van wierook;stylusJeremia 50:2, Jeremia 1:13, Jeremia 1:15, Jeremia 50:2, Jeremia 1:137Want alles is schoon aan u, liefste, Geen vlek op u! ….stylusJeremia 5:6, Jesaja 1:7, Ezechiël 26:7, Ezechiël 26:10, Jeremia 2:158Van de Libanon, mijn bruid, Met mij zijt ge van de Libanon gekomen, Hebt ge Amana’s top verlaten, De top van Senir en de Hermon: De holen der leeuwen, De bergen der panters.stylusJesaja 22:12, Jeremia 6:26, Jesaja 22:12, Jeremia 6:26, Jesaja 32:119Gij hebt mij betoverd, mijn zuster, bruid, Betoverd met één blik van uw ogen, Met één lijn van uw hals!.stylusJesaja 29:9, Jesaja 29:10, Jesaja 22:3, Jesaja 22:5, Ezechiël 13:910Hoe schoon is uw liefde, mijn zuster, bruid, Hoe strelend uw minne meer dan de wijn, Hoe heerlijk uw geuren, lieflijker nog dan de balsem.stylusJeremia 5:12, 2 Tessalonicenzen 2:9, 2 Tessalonicenzen 2:12, Jeremia 5:12, 2 Tessalonicenzen 2:911Van honingzoet druipen Uw lippen, o bruid; Honing en melk Zijn onder uw tong; De geur uwer kleren Is als Libanon-geur.stylusEzechiël 17:10, Hosea 13:15, Ezechiël 17:10, Hosea 13:15, Jeremia 9:112Een gegrendelde hof is mijn zuster, bruid, Een gesloten wel, Een verzegelde bron:stylusJeremia 1:16, Jeremia 1:16, Ezechiël 5:8, Ezechiël 5:8, Ezechiël 7:813Uw lusthof is een paradijs van granaten, Met allerlei kostelijke vruchten, Met hennabloemen en nardusplanten,stylusJesaja 19:1, Jesaja 19:1, Jesaja 66:15, Jesaja 66:15, Klaagliederen 4:1914Saffraan, kaneel en muskaat, Met wierookgewassen, mirre en aloë, En een keur van heerlijke balsem!stylusJakobus 4:8, Jakobus 4:8, Jesaja 55:7, Handelingen 8:22, Jesaja 55:715Een bron in de tuinen Een wel van levend water, Dat van de Libanon stroomt.stylusJeremia 8:16, Jeremia 8:16, Jozua 20:7, Richteren 20:1, Jeremia 6:116Waak op, noordenwind, Zuidenwind, kom! Waai door mijn hof, Laat zijn balsemgeur stromen: Opdat mijn beminde in zijn lusthof kome, Er zijn kostelijke vruchten mag smaken.stylusJeremia 5:15, Ezechiël 21:22, Jeremia 5:15, Ezechiël 21:22, Jesaja 39:3