Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 49

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 49

1Daarna riep Jakob zijn zonen en sprak: Verzamelt u en ik zal u verkonden, Wat u in de verre toekomst geschiedt.
Numeri 24:14, Numeri 24:14, Jeremia 23:20, Daniël 10:14, Jeremia 23:20
2Komt bijeen en luistert, zonen van Jakob; Hoort naar Israël, uw vader!
Psalmen 34:11, Psalmen 34:11, Spreuken 23:26, Spreuken 7:24, Spreuken 6:20
3Ruben, gij mijn eerstgeborene, Mijn kracht en eersteling van mijn mannelijke rijpheid: De eerste moest ge in hoogheid zijn, De eerste in macht.
Deuteronomium 21:17, Psalmen 78:51, Deuteronomium 21:17, Psalmen 78:51, Psalmen 105:36
4Maar ge zijt een schuimende beek, Gij zult die voorrang niet hebben: Want ge hebt het bed van uw vader beklommen, Toen mijn sponde ontwijd.
Genesis 35:22, Genesis 35:22, 1 Kronieken 5:1, 1 Kronieken 5:1, Deuteronomium 27:20
5Simeon en Levi, echte broers: List en geweld zijn hun zwaarden:
Genesis 34:25, Genesis 34:31, Genesis 34:25, Genesis 34:31, Genesis 29:33
6Mijn geest wil in hun plannen niet treden, Mijn hart heeft geen deel aan hun raad. Want in hun toorn hebben zij mannen verslagen, In hun moedwil stieren verminkt!
Genesis 34:30, Genesis 34:30, Psalmen 26:9, Psalmen 26:9, Psalmen 16:9
7Vervloekt hun toorn, zo heftig, Hun gramschap, zo fel: Ik zal ze verdelen in Jakob, Ze verstrooien in Israël!
Jozua 19:1, Jozua 19:9, 1 Kronieken 4:24, 1 Kronieken 4:31, Jozua 19:1
8Juda, u prijzen uw broeders; Uw hand drukt op de nek van uw vijand, De zonen van uw vader buigen zich voor u neer!
Genesis 27:29, Hebreeën 7:14, Genesis 27:29, Hebreeën 7:14, 1 Kronieken 5:2
9Juda, als een leeuwenwelp Stijgt gij omhoog na de buit, mijn zoon! Hij kromt zich, hij vlijt zich neer als een leeuw, En als een leeuwin: wie durft hem wekken?
Numeri 24:9, Numeri 24:9, Numeri 23:24, Openbaring 5:5, Numeri 23:24
10De schepter zal van Juda niet wijken, De staf niet tussen zijn voeten, Totdat Hij komt, wien ze behoort, En voor wien de volken zich bukken.
Lucas 1:32, Lucas 1:33, Numeri 24:17, Lucas 1:32, Lucas 1:33
11Dan bindt hij zijn lastdier aan de wijnstok, Het veulen van zijn ezelin aan de wingerd; Dan wast hij zijn kleren in wijn, En in het druivensap zijn gewaad;
Jesaja 63:1, Jesaja 63:3, Jesaja 63:1, Jesaja 63:3, Joël 3:18
12Van wijn worden zijn ogen dan donker, Van de melk zijn tanden wit!
Spreuken 23:29, Spreuken 23:29
13Zabulon woont langs de oever der zee, En aan het strand bij de schepen; Hij keert Sidon de rug toe!
Deuteronomium 33:18, Deuteronomium 33:19, Deuteronomium 33:18, Deuteronomium 33:19, Genesis 30:20
14Issakar is een bonkige ezel, Die tussen de kudde blijft liggen;
Genesis 30:18, 1 Kronieken 12:32, Genesis 30:18, 1 Kronieken 12:32, Deuteronomium 33:18
15Daar hij het rusten heerlijk vindt, En lieflijk het land: Kromt hij zijn rug om te dragen, En verricht hij slavendienst!
Psalmen 81:6, Ezechiël 29:18, 2 Samuël 7:1, Mattheüs 23:4, Richteren 3:11
16Dan richt zijn volk Als een van Israëls stammen.
Deuteronomium 33:22, Genesis 30:6, Deuteronomium 33:22, Genesis 30:6, Richteren 18:26
17Dan is een slang op de weg, Een adder op het pad; Hij bijt het paard in de hielen, En zijn berijder slaat achterover.
1 Kronieken 12:35, 1 Kronieken 12:35, Richteren 18:22, Richteren 18:31, Richteren 18:22
18—
Psalmen 119:166, Psalmen 119:174, Psalmen 119:166, Psalmen 119:174, Micha 7:7
19Gad: roverbenden stormen op hem aan, Maar hij zit hen op de hielen!
Genesis 30:11, Genesis 30:11, 1 Kronieken 5:26, 1 Kronieken 5:11, 1 Kronieken 5:22
20Aser: heerlijk is zijn brood, Hij biedt koninklijke lekkernijen.
Deuteronomium 33:24, Deuteronomium 33:25, Deuteronomium 33:24, Deuteronomium 33:25, Genesis 30:13
21Neftali: een wijdvertakte terebint, Die een prachtige kruin draagt!
Deuteronomium 33:23, Deuteronomium 33:23, Genesis 30:8, Genesis 30:8, Genesis 46:24
22Een jonge vruchtboom is Josef, Een jonge vruchtboom aan de bron: Zijn ranken klimmen over de muur.
Genesis 41:52, Genesis 41:52, Psalmen 1:1, Psalmen 1:3, Psalmen 128:3
23Hoe men hem uitdaagt en tart, Hoe de boogschutters hem ook bekampen:
Genesis 37:24, Genesis 37:24, Psalmen 64:3, Genesis 37:28, Psalmen 64:3
24Zijn boog blijft sterk, De spieren van zijn arm blijven lenig: Door de hulp van den Sterke van Jakob, Door de Naam van zijn Hoeder, Israëls Rots!
Psalmen 132:2, Psalmen 132:2, Psalmen 132:5, Jesaja 28:16, Psalmen 132:5
25Van den God van uw vader, die u helpt, Van den almachtigen God, die u zegent: Stromen zegeningen van de hemel daarboven, Zegeningen van de diepten beneden, Zegeningen van borsten en schoot,
Genesis 35:11, Genesis 28:13, Genesis 35:11, Genesis 28:13, Filippenzen 4:19
26Zegeningen van uw vader! Ze gaan de zegeningen der oude bergen te boven, De kostbare gaven der eeuwige heuvelen; Zij dalen op het hoofd van Josef neer, Op de schedel van den vorst zijner broeders.
Deuteronomium 33:15, Deuteronomium 33:16, Deuteronomium 33:15, Deuteronomium 33:16, Habakuk 3:6
27Benjamin is een roofgierige wolf. Des morgens verslindt hij de buit, En des avonds verdeelt hij de roof!
Genesis 35:18, Richteren 20:25, Genesis 46:21, Ezechiël 22:27, Richteren 20:21
28Dit zijn al de stammen van Israël, twaalf in getal. En zo sprak hun vader hen toe, toen hij hen zegende, en ieder van hen zijn bijzondere zegen verleende.
Openbaring 7:4, Openbaring 7:4, Esther 8:7, Esther 8:11, Handelingen 26:7
29Daarna gaf Jakob hun het volgende bevel: Wanneer ik bij mijn volk ben verzameld, begraaft mij dan bij mijn vaderen in de grot, op de akker van Efron, den Chittiet.
Genesis 50:13, Genesis 47:30, Genesis 50:13, Genesis 47:30, Genesis 15:15
30Het is de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, in het land Kanaän; de akker, die Abraham als een familiegraf van Efron, den Chittiet, heeft gekocht.
Genesis 23:16, Genesis 23:18, Genesis 23:8, Genesis 23:9, Genesis 23:20
31Daar heeft men Abraham en zijn vrouw Sara begraven; daar heeft men Isaäk met zijn vrouw Rebekka begraven; en daar heb ik ook Lea begraven.
Genesis 35:29, Genesis 25:9, Genesis 35:29, Genesis 25:9, Genesis 50:13
32Toen Jakob de opdracht aan zijn zonen ten einde had gebracht, trok hij zijn voeten terug op het bed, gaf de geest en werd verzameld bij zijn volk.
Genesis 23:17, Genesis 23:20, Genesis 23:17, Genesis 23:20

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 49
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward