1Enige tijd later berichtte men Josef: Uw vader is ziek. Terstond ging hij naar Jakob, en nam zijn beide zonen, Manasse en Efraïm, met zich mee.stylusGenesis 46:20, Genesis 50:23, Genesis 41:50, Genesis 41:52, Johannes 11:32Toen men Jakob vertelde, dat zijn zoon Josef was gekomen, verzamelde Israël zijn laatste krachten, en richtte zich in zijn bed overeind.stylusNehemia 2:18, Deuteronomium 3:28, Psalmen 41:3, Spreuken 23:15, 1 Samuël 23:163En Jakob sprak tot Josef: De almachtige God is mij te Loez in het land Kanaän verschenen, en heeft mij gezegend.stylusGenesis 35:9, Genesis 35:12, Genesis 35:9, Genesis 35:12, Genesis 17:14Hij heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar en talrijk maken, u tot een schaar van volken doen groeien, en dit land aan uw nageslacht schenken tot een eeuwig bezit.stylusGenesis 17:8, Genesis 17:8, Genesis 35:11, Genesis 35:11, Genesis 12:25Welnu, uw beide zonen, die u in Egypte geboren zijn, voordat ik tot u in Egypte kwam, Efraïm en Manasse, gelden als zonen van mij; Efraïm en Manasse staan voor mij gelijk met Ruben en Simeon.stylusGenesis 41:50, Genesis 41:52, Genesis 41:50, Genesis 41:52, Jozua 14:46Maar de kinderen, die ge na hen zult krijgen, zullen de uwen zijn, en onder de naam van hun broeders hun erfdeel ontvangen.stylusJozua 14:4, Jozua 14:47Want toen ik uit Paddan-Aram kwam, is uw moeder Rachel in het land Kanaän op enige afstand van Efráta mij ontvallen, en heb ik haar op de weg naar Efráta, dat nu Betlehem heet, moeten begraven.stylusGenesis 35:16, Genesis 35:19, Mattheüs 2:18, Genesis 35:9, Genesis 35:168Toen Israël de zonen van Josef bemerkte, sprak hij: Wie hebt ge daar?stylus9Josef gaf zijn vader ten antwoord: Het zijn mijn zonen, die God mij hier heeft gegeven. Hij zeide: Breng ze bij mij; ik wil ze zegenen.stylusGenesis 27:4, Genesis 27:4, Genesis 33:5, Genesis 33:5, Hebreeën 11:2110Want de ogen van Israël waren verzwakt van ouderdom, zodat hij niet kon zien. Toen Josef ze dus dicht bij hem had gebracht, kuste en omhelsde hij hen.stylusGenesis 27:27, Genesis 27:1, Genesis 27:27, Genesis 27:1, 1 Koningen 19:2011En Israël sprak tot Josef: Ik had niet gedacht, dat ik u nog zou weerzien; en zie, nu laat God mij nog uw kinderen aanschouwen.stylusEfeziërs 3:20, Genesis 45:26, Efeziërs 3:20, Genesis 45:26, Genesis 37:3312Nu nam Josef ze van zijn knieën weg, en zij bogen zich ter aarde neer.stylusGenesis 42:6, Genesis 42:6, Efeziërs 6:1, 2 Koningen 4:37, Leviticus 19:313Dan nam Josef hen bij de hand: Efraïm bij de rechterhand, dus links van Israël; Manasse bij de linkerhand, dus rechts van Israël; zo plaatste hij ze vóór hem.stylus14Maar Israël kruiste zijn armen: hij stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, ofschoon hij de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse, ofschoon hij de eerstgeborene was.stylusGenesis 41:51, Genesis 41:51, Numeri 8:18, Exodus 15:6, Lucas 13:1315Toen zegende hij hen en sprak: De God, voor wiens aanschijn mijn vaderen hebben gewandeld, Abraham en Isaäk: De God, die mij heeft behoed van mijn geboorte af, Tot heden toe:stylusGenesis 17:1, Genesis 17:1, Kolossenzen 2:6, Kolossenzen 2:6, Genesis 28:316De Engel, die mij uit alle nood heeft verlost, Zegene deze knapen! Moge in hen mijn naam blijven leven, en de naam van mijn vaderen, Abraham en Isaäk, En mogen zij vruchtbaar en talrijk worden In het land!stylusPsalmen 34:22, Psalmen 34:22, Genesis 49:22, Genesis 48:5, Genesis 49:2217Josef zag tot zijn ontsteltenis, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm had gelegd. Hij greep de hand van zijn vader, om ze van het hoofd van Efraïm weg te nemen en op het hoofd van Manasse te leggen.stylusGenesis 48:14, Romeinen 9:7, Romeinen 9:8, Genesis 48:14, Romeinen 9:718En Josef zei tot zijn vader: Zo niet vader; want dit is de oudste: leg uw rechterhand dus op zijn hoofd.stylusHandelingen 11:8, Handelingen 10:14, Genesis 27:15, Genesis 43:33, Genesis 49:319Maar zijn vader weigerde het, en sprak: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het! Ook hij zal een volk worden, ook hij zal groot zijn; maar zijn jongere broer zal nog groter worden dan hij, en zijn geslacht een ganse schaar van volken.stylusDeuteronomium 33:17, Deuteronomium 33:17, Genesis 17:20, Genesis 17:21, Genesis 17:2020En hij zegende hen op die dag, en sprak: Met uw naam zal Israël zegen wensen en zeggen: God make u als Efraïm en Manasse! Zo stelde hij Efraïm boven Manasse.stylusGenesis 24:60, Genesis 24:60, Ruth 4:11, Ruth 4:12, Genesis 28:321Nu sprak Israël tot Josef: Zie, ik ga sterven; maar God zal met u zijn, en u terugleiden naar het land uwer vaderen.stylusGenesis 50:24, Genesis 46:4, Genesis 50:24, Genesis 46:4, Genesis 26:322Ik vermaak u één deel meer dan uw broeders; de bergrug, die ik op de Amorieten met mijn zwaard en mijn boog heb veroverd.stylusJohannes 4:5, Johannes 4:5, Jozua 24:32, Jozua 24:32, 1 Kronieken 5:2