1Nu sprak God tot Jakob: Sta op, vertrek naar Betel, en vestig u daar. Richt daar een altaar op voor den God, die u is verschenen, toen ge op de vlucht waart voor uw broer Esau.stylusGenesis 31:13, Genesis 31:13, Hosea 12:4, Hosea 12:4, Genesis 35:72Daarom sprak Jakob tot zijn gezin en tot allen, die hem vergezelden: Verwijdert de vreemde goden, die ge bij u hebt; reinigt u en verwisselt van kleren.stylusExodus 19:14, Exodus 19:10, Exodus 19:14, Exodus 19:10, Jakobus 4:83Dan trekken we naar Betel op, waar ik een altaar zal bouwen voor den God, die mij heeft verhoord op de dag van mijn ellende, en die met mij was op de weg, die ik ging.stylusJesaja 43:2, Jesaja 43:2, Genesis 32:7, Genesis 31:3, Genesis 32:74Toen leverden zij aan Jakob alle vreemde goden uit, die in hun bezit waren, met de ringen, die ze in de oren droegen; en Jakob begroef ze onder de eik, die bij Sikem stond.stylusRichteren 9:6, Richteren 9:6, Exodus 32:20, Jesaja 30:22, Richteren 8:245Daarna trokken zij op. En de schrik Gods kwam over alle steden in het rond, zodat men de zonen van Jakob niet durfde achtervolgen.stylusExodus 23:27, Exodus 23:27, 2 Kronieken 17:10, 2 Kronieken 17:10, Jozua 5:16Zo kwam Jakob met al het volk, dat hem vergezelde, te Loez, ook Betel genoemd, dat in het land Kanaän ligt.stylusGenesis 28:19, Genesis 28:19, Genesis 12:8, Genesis 28:22, Genesis 12:87Hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats Betel, omdat God zich daar aan hem had geopenbaard, toen hij op de vlucht was voor zijn broer.stylusGenesis 35:1, Genesis 28:13, Genesis 35:3, Genesis 35:1, Genesis 28:138Daar stierf Debora, de voedster van Rebekka; zij werd begraven bij Betel onder de eik, die hij daarom Klaageik noemde.stylusGenesis 24:59, Genesis 24:59, 1 Samuël 31:13, 1 Samuël 31:13, Richteren 2:59Toen Jakob dus uit Paddan-Aram was teruggekeerd, verscheen God hem opnieuw, en zegende hem.stylusGenesis 35:1, Genesis 18:1, Genesis 26:2, Genesis 12:7, Genesis 35:110En God sprak tot hem: Uw naam is Jakob; voortaan zult ge geen Jakob meer heten, maar Israël zult ge worden genoemd. Zo gaf Hij hem de naam Israël.stylusGenesis 17:5, Genesis 17:5, Genesis 32:27, Genesis 32:28, Genesis 32:2711En God sprak tot hem: Ik ben de almachtige God! Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u. Een volk, een reeks van volken komt uit u voort, En koningen zullen uw lendenen ontspruiten.stylusGenesis 17:1, Genesis 17:1, Genesis 22:17, Genesis 9:1, Genesis 22:1712Het land, dat Ik aan Abraham en Isaäk schonk, Zal Ik geven aan u; En aan uw kroost na u Geef Ik dit land in bezit!stylusGenesis 12:7, Genesis 12:7, Genesis 28:13, Genesis 28:13, Genesis 26:313Toen steeg God op, en verdween uit zijn ogen.stylusGenesis 17:22, Genesis 17:22, Genesis 18:33, Genesis 18:33, Genesis 11:514Jakob stichtte een stenen gedenkteken op de plaats, waar Hij met hem had gesproken, stortte er een plengoffer op, en goot er olie over uit.stylusGenesis 28:18, Genesis 28:19, Genesis 28:18, Genesis 28:19, Genesis 31:4515En Jakob noemde de plaats, waar God met hem had gesproken, Betel.stylusGenesis 28:19, Genesis 28:1916Toen ze nu ook van Betel waren opgetrokken, en nog slechts op korte afstand van Efráta waren, beviel Rachel en had een zware verlossing.stylusMicha 5:2, Micha 5:2, Mattheüs 2:18, Genesis 48:7, Mattheüs 2:1817En terwijl ze in zware barensnood lag, sprak de vroedvrouw tot haar: Wees maar niet bang; want ook ditmaal hebt ge een zoon.stylusGenesis 30:24, Genesis 30:24, 1 Samuël 4:19, 1 Samuël 4:21, 1 Samuël 4:1918Onder het sterven nog, want ze ging dood, noemde ze hem Ben-Oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.stylusHandelingen 7:59, 1 Kronieken 4:9, Lucas 23:46, Handelingen 7:59, 1 Kronieken 4:919Zo stierf Rachel; zij werd begraven op de weg naar Efráta of Betlehem.stylusMicha 5:2, Micha 5:2, Genesis 48:7, Genesis 48:7, Ruth 4:1120Jakob plaatste een gedenkteken op haar graf; dit grafmonument van Rachel staat er tot op de huidige dag.stylus1 Samuël 10:2, 1 Samuël 10:2, Genesis 35:14, 2 Samuël 18:17, 2 Samuël 18:1821Israël trok nu verder, en spande zijn tent voorbij Migdal-Éder.stylusMicha 4:8, Micha 4:8, Lucas 2:8, Lucas 2:822Terwijl Israël in deze streek vertoefde, hield Ruben gemeenschap met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Toen Israël het vernam, was hij er hoogst verontwaardigd over. De zonen van Jakob waren twaalf in getal.stylus1 Kronieken 5:1, 1 Kronieken 5:1, Leviticus 18:8, Leviticus 18:8, 2 Samuël 16:2123De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, Simeon, Levi, Juda, Issakar en Zabulon.stylusGenesis 30:18, Genesis 30:20, Genesis 30:18, Genesis 30:20, Genesis 29:3224De zonen van Rachel: Josef en Benjamin.stylusGenesis 30:22, Genesis 30:24, Genesis 30:22, Genesis 30:24, Genesis 46:1925De zonen van Bilha, de slavin van Rachel: Dan en Neftali.stylusGenesis 46:23, Genesis 46:25, Genesis 30:4, Genesis 30:8, Genesis 37:226De zonen van Zilpa, de slavin van Lea: Gad en Aser. Dit waren de zonen van Jakob, die hem geboren waren in Paddan-Aram.stylusGenesis 31:18, Genesis 30:9, Genesis 30:13, Genesis 46:16, Genesis 46:1827Zo bereikte Jakob zijn vader Isaäk te Mamre bij Kirjat-Arba, of Hebron, waar Abraham en Isaäk zich hadden gevestigd.stylusGenesis 13:18, Genesis 13:18, Genesis 23:19, Genesis 23:19, Genesis 18:128En toen Isaäk honderd tachtig jaar oud was,stylusGenesis 25:7, Genesis 25:7, Genesis 50:26, Genesis 50:26, Genesis 47:2829gaf hij de geest en stierf; oud en afgeleefd werd hij bij zijn volk verzameld. Zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.stylusGenesis 15:15, Genesis 15:15, Genesis 49:33, Genesis 49:33, Genesis 49:31