1Nu sloeg Jakob zijn ogen op en keek rond; en zie, daar kwam Esau aan met vierhonderd man. Toen verdeelde hij zijn kinderen onder Lea, Rachel en zijn beide slavinnen.stylusGenesis 32:6, Genesis 32:7, Genesis 32:6, Genesis 32:7, Genesis 27:412De slavinnen met haar kinderen plaatste hij voorop, Lea met haar kinderen daar achter, en Rachel met Josef achteraan.stylusGenesis 30:22, Genesis 30:24, Genesis 29:30, Genesis 37:3, Maleachi 3:173Zelf stelde hij zich aan hun spits, boog zich zevenmaal ter aarde neer, tot hij zijn broer genaderd was.stylusGenesis 42:6, Genesis 42:6, Genesis 18:2, Genesis 18:2, Genesis 43:264Maar Esau snelde hem tegemoet, en omhelsde hem; hij viel hem om de hals, en kuste hem wenend.stylusGenesis 45:14, Genesis 45:15, Genesis 45:14, Genesis 45:15, Psalmen 34:45Toen hij zijn ogen opsloeg en de vrouwen met de kinderen zag, vroeg hij: Wie hebt ge daar? Hij antwoordde: Het zijn de kinderen, die het God heeft behaagd, aan uw dienaar te schenken.stylusPsalmen 127:3, Psalmen 127:3, Jesaja 8:18, Jesaja 8:18, Genesis 48:96Nu traden de slavinnen met haar kinderen naar voren, en bogen zich voor hem neer.stylus7Ook Lea trad met haar kinderen vooruit, en boog zich neer; daarna kwamen ook Josef en Rachel, en bogen zich neer.stylus8Toen sprak hij: Wat moet ge met heel dat leger, dat ik heb ontmoet? Hij antwoordde: Genade vinden in de ogen van mijn heer!stylusGenesis 32:5, Genesis 32:5, Genesis 39:5, Esther 2:17, Genesis 32:139Maar Esau hernam: Ik bezit meer dan genoeg, mijn broeder; behoud wat ge hebt.stylusGenesis 27:39, Genesis 27:39, Filemon 1:7, Filemon 1:7, Genesis 27:4110Jakob hield aan: Neen, als ik genade gevonden heb in uw ogen, neem dan het geschenk van mij aan; want, daar gij vriendelijk voor mij waart, heb ik uw gelaat gezien, zoals men Gods aanschijn aanschouwt.stylusJob 33:26, Job 33:26, Openbaring 22:4, Openbaring 22:4, Genesis 32:3011Wil toch het blijk van mijn hulde aanvaarden, dat ik u heb aangeboden; want God is mij genadig geweest, zodat ik overvloed heb. Toen hij zo bij hem aandrong, nam hij het aan.stylusFilippenzen 4:18, 1 Samuël 25:27, Filippenzen 4:18, 1 Samuël 25:27, Genesis 30:4312Daarop sprak : Laten we opbreken en verder trekken; ik zal u dan begeleiden.stylus13Maar hij antwoordde: Mijn heer, gij ziet, dat de kinderen nog zwak zijn. Bovendien moet ik voor de schapen en zogende runderen zorgen; als die één dag te veel gejaagd worden, gaat heel de kudde te gronde.stylusJesaja 40:11, Jesaja 40:11, Ezechiël 34:15, Ezechiël 34:16, Ezechiël 34:1514Laat dus mijn heer zijn dienaar vooruitgaan; ik zal op mijn gemak mijn tocht vervolgen in de pas van het vee, dat voor mij uittrekt, en in de pas van de kinderen, tot ik in Seïr kom bij mijn heer.stylusJesaja 40:11, Genesis 32:3, Jesaja 40:11, Genesis 32:3, Romeinen 15:115Esau hernam: Dan zal ik tenminste enkele van de mannen, die mij vergezellen, te uwer beschikking stellen. Maar hij antwoordde: Waar is dat voor nodig; als ik maar genade vind in de ogen van mijn heer?stylusRuth 2:13, Ruth 2:13, Genesis 47:25, Genesis 34:11, Genesis 47:2516Zo keerde Esau nog diezelfde dag naar Seïr terug.stylus17Maar Jakob trok naar Soekkot; hij bouwde daar een huis voor zichzelf, en maakte er hutten voor zijn vee. Daarom wordt die plaats Soekkot genoemd.stylusPsalmen 60:6, Jozua 13:27, Richteren 8:5, Psalmen 60:6, Jozua 13:2718Na zijn terugkeer uit Paddan-Aram kwam Jakob behouden aan in de stad Sikem, die in het land Kanaän ligt, en legerde zich ten oosten der stad.stylusHandelingen 7:16, Jozua 24:1, Richteren 9:1, Handelingen 7:16, Jozua 24:119Voor honderd goudstukken kocht hij van de zonen van Hemor, den vader van Sikem, de strook grond, waarop hij zijn tent had gespannen.stylusHandelingen 7:16, Johannes 4:5, Handelingen 7:16, Johannes 4:5, Jozua 24:3220Hij richtte daar een altaar op, en riep den God van Israël aan.stylusGenesis 21:33, Genesis 35:7, Genesis 32:28, Genesis 21:33, Genesis 35:7