1Afschrift van de brief, die Jeremias gericht heeft aan hen, die op het punt stonden, door den koning der Babyloniërs in ballingschap naar Babel te worden gebracht, om hun te verkonden, wat hem door God was gelast. Om de zonden, die gij tegen God hebt bedreven, wordt gij door Nabukodonosor, den koning der Babyloniërs, in ballingschap naar Babel gebracht.stylusJakobus 5:5, Jakobus 5:5, Jesaja 32:9, Jesaja 32:11, Jesaja 32:92En wanneer ge in Babel zijt aangekomen, zult ge daar vele jaren en lange tijd verblijven, gedurende zeven geslachten; maar dan breng Ik u vandaar in vrede terug.stylusNahum 3:8, Nahum 3:8, Genesis 10:10, 2 Koningen 18:34, Genesis 10:103Nu zult ge in Babel zilveren, gouden en houten goden aanschouwen, die op de schouders worden rondgedragen, en die de heidenen vrees aanjagen.stylusAmos 9:10, Amos 9:10, Jesaja 56:12, Jesaja 56:12, Ezechiël 12:274Zorgt er dan voor, dat ge die onbesnedenen niet navolgt, en dat ook gij ze niet vreest,stylusEzechiël 34:2, Ezechiël 34:3, Jakobus 5:5, Amos 3:12, Ezechiël 34:25wanneer ge ziet, hoe de drommen, die hen vooruitgaan en volgen, hen aanbidden. Neen, ge moet bij uzelve zeggen: U moet men aanbidden, o Heer!stylusJesaja 5:12, Jesaja 5:12, Amos 5:23, Amos 5:23, Amos 8:36Want mijn engel is in uw midden, die het op u wreken zal.stylusGenesis 49:22, Genesis 49:22, Genesis 37:25, Genesis 37:28, Johannes 12:37Want hun tong is door een werkman glad gepolijst, en al zijn ze met goud en zilver overtrokken, ze blijven een leugen, en kunnen niet spreken.stylusAmos 7:11, Amos 7:11, Daniël 5:4, Daniël 5:6, 1 Koningen 20:168Als voor een pronkerig meisje neemt men goud,stylusJeremia 51:14, Amos 4:2, Jeremia 51:14, Amos 4:2, Psalmen 47:49om er kronen van te maken voor de hoofden van hun goden; zo de priesters tenminste hun goden niet van het goud en zilver beroven, en het voor zichzelf behouden,stylusAmos 5:3, Amos 5:3, Job 1:19, Psalmen 109:13, Job 20:2810of er de hoeren van geven in de bordelen. Dan trekken zij die zilveren, gouden en houten goden als mensen mooie kleren aan;stylus1 Samuël 31:12, Amos 8:3, 1 Samuël 31:12, Amos 8:3, Amos 5:1311maar daardoor zijn ze nog niet bestand tegen roest en mot. En al zijn ze in purper gestoken,stylusAmos 3:15, Amos 3:15, Jesaja 55:11, Jesaja 55:11, 2 Koningen 25:912toch moeten ze hun gezicht laten wassen van het stof van de tempel, dat er vingerdik op ligt.stylusAmos 5:7, Amos 5:7, Hosea 10:4, Hosea 10:4, Amos 5:1113Dan heeft hij nog een schepter als een plattelandsrechter, die niet eens kan doden, die zich tegen hem vergrijpt.stylusJesaja 28:14, Jesaja 28:15, Lucas 12:19, Lucas 12:20, Jesaja 28:1414Ook draagt hij in zijn rechterhand een zwaard en een bijl, maar hij kan zich tegen vijand noch rovers verweren. Zo is het duidelijk, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!stylus2 Koningen 14:25, 1 Koningen 8:65, 2 Koningen 14:25, 1 Koningen 8:65, Jeremia 5:1515Zoals een schotel iemand nergens toe dient, als hij stuk is,stylus16zo is het ook met hun goden gesteld. Wanneer ze in hun tempels staan, raken hun ogen vol stof, opgejaagd door de voeten van hen die binnenkomen;stylus17en zoals men voor iemand, die majesteitsschennis bedreef en ter dood is veroordeeld, aan alle kanten de gevangenis afsluit, zo sluiten de priesters ze in hun tempels op achter deuren, sloten en balken, opdat ze niet door rovers worden gestolen.stylus18Dan steken ze veel licht voor hen aan, ofschoon niemand hunner kan zien.stylus19Ze lijken op balken in de tempel, wier hart wordt weggevreten, zoals men dat zegt; ze merken niet eens, wanneer ze met kleren en al door wormen uit de aarde worden weggeknaagd.stylus20Hun gezicht wordt zwart van de rook in de tempel;stylus21op hun lijf en hun hoofd fladderen vleermuizen, zwaluwen en andere vogels; ook de katten springen er op.stylus22Zo kunt ge zien, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!stylus23Wanneer men de roest niet wegpoetst van het goud, waarmee ze zijn opgesmukt, dan blinken ze niet; ze voelen het niet eens, wanneer ze worden gegoten.stylus24En ofschoon ze geen levensadem hebben, worden ze voor de duurste prijs gekocht.stylus25Ze hebben geen voeten, en moeten op de schouders worden gedragen; zo laten zij de mensen hun nietigheid zien; maar ook die ze dienen, moeten zich schamen.stylus26En wanneer er dan een op de grond valt, kan hij uit zichzelf niet meer opstaan; wanneer iemand hem overeind heeft gezet, beweegt hij zich niet; wanneer hij scheef staat, komt hij niet recht. Neen, als aan doden zet men hun offergaven voor;stylus27hun priesters verkopen hun offers voor eigen gewin, of de vrouwen pekelen ze in, zonder er iets aan de armen en behoeftigen van te geven;stylus28en vrouwen in maandstonden en bij bevalling raken ze aan. Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!stylus29Hoe kan men ze dan nog goden noemen? Vrouwen zetten die zilveren, gouden en houten goden spijzen voor;stylus30de priesters lopen in hun tempels rond met gescheurde kleren geschoren hoofden en baarden, het hoofd onbedekt,stylus31en huilen en gillen voor hun goden, zoals men dat doet bij een dodenmaal;stylus32de priesters nemen hun de kleren af, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.stylus33Of ze van iemand kwaad of goed ondervinden, ze zijn niet in staat, het te vergelden. Ze kunnen een koning aanstellen noch afzetten;stylus34evenmin kunnen ze rijkdom schenken of geld. Wanneer iemand hun een gelofte doet, die hij niet houdt, kunnen ze niet straffen.stylus35Ze redden geen mens van de dood, en bevrijden geen zwakke uit de macht van den sterke.stylus36Een blinde geven ze het gezicht niet terug; die in nood verkeert, helpen ze niet.stylus37Over een weduwe weten ze zich niet te ontfermen, voor een wees niet te zorgen.stylus38Neen, ze lijken op steenklompen uit de bergen, die houten, vergulde en verzilverde maaksels; en die ze dienen, moeten zich schamen.stylus39Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn?stylus40De Chaldeën zelf onteren ze. Want wanneer ze een stomme zien, die niet kan spreken, dan halen ze Bel, en vragen hem, dat hij den stomme laat spreken, alsof hij iets kon verstaan.stylus41En ofschoon ze het tegendeel weten, houden zij er toch niet mee op, omdat ze te dom zijn.stylus42De vrouwen zitten, met strikken omhangen, langs de wegen, zemelen te branden.stylus43Zo dikwijls dan een van haar door een voorbijganger is meegenomen, en gemeenschap met hem heeft gehad, hoont ze haar buurvrouw, omdat die dezelfde eer nog niet heeft genoten, en haar strikken nog niet zijn verscheurd.stylus44Leugen is al wat er voor hen gebeurt. Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn?stylus45Ze worden door werklui en goudsmeden gemaakt, en kunnen niets anders worden, dan de werklieden er van willen maken.stylus46Welnu, die ze maken, worden niet oud;stylus47hoe zou het dan anders gaan met hun maaksel? Zo laten ze hun nageslacht enkel ontgoocheling achter, en smaad.stylus48Want als er oorlog of onheil over hen losbarst, beraadslagen de priesters onder elkander, waar zich met hen te verschuilen.stylus49Hoe is het dan mogelijk, dat men niet inziet, dat ze geen goden kunnen zijn, daar ze zichzelf niet kunnen redden uit oorlog en onheil?stylus50Maar tenslotte zal men erkennen, dat die houten, vergulde en verzilverde maaksels leugen zijn; alle volken en koningen zal het duidelijk worden, dat ze geen goden zijn, maar enkel maaksel van mensenhanden, en dat men bij hen geen goddelijke daden moet zoeken.stylus51Wie wil dan nog een bewijs, dat ze geen goden zijn?stylus52Ze stellen over een land geen koning aan, noch kunnen ze de mensen een heerser geven.stylus53Ze zijn niet in staat, hun recht te verschaffen, noch hen voor onrecht te hoeden.stylus54Ze lijken op kraaien tussen hemel en aarde. Want als er brand uitbreekt in de tempel van die houten, vergulde en verzilverde goden, dan slaan wel de priesters op de vlucht en worden gered, maar zelf branden ze als balken middendoor.stylus55Ook koningen en vijanden kunnen ze geen weerstand bieden.stylus56Hoe kan men dan aannemen of denken, dat zij goden zijn! Ook voor dieven en rovers zijn die houten, verzilverde en vergulde goden niet veilig.stylus57Die zijn hun de baas, stelen het goud en het zilver, en gaan aan de haal met de kleren, waarmee ze bekleed zijn, zonder dat ze zich kunnen verdedigen.stylus58Daarom is een koning die zijn macht kan tonen, of nuttig huisraad waarvan de eigenaar zich kan bedienen, er beter aan toe dan die valse goden; of een huisdeur, die wat binnen is beveiligt, er beter aan toe dan die valse goden; of een houten zuil in het koninklijk paleis er beter aan toe dan die valse goden.stylus59De zon, de maan en de sterren, hoe mooi zij ook glanzen, moeten gehoorzamen en op hun post blijven staan tot nut van de mensen.stylus60Ook de bliksem is mooi, als hij flikkert; ook de wind, die over alle landen waait.stylus61En als God de wolken gebiedt, over heel de aarde te trekken, dan volbrengen zij het bevel;stylus62ook het vuur, van boven gezonden om bergen en wouden te verteren, volbrengt het bevel. Maar die maaksels evenaren hen in schoonheid noch kracht.stylus63Daarom mag men denken noch zeggen, dat ze goden zijn; want ze hebben geen macht om te richten, of goed te doen aan de mensen.stylus64Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!stylus65De koningen kunnen zij vloeken noch zegenen;stylus66de volkeren geen tekens geven aan de hemel, niet eens stralen als de zon, of glans verspreiden als de maan.stylus67De dieren zijn er beter aan toe; die kunnen naar een schuilplaats vluchten, en zichzelf tenminste nog redden.stylus68Zo is het onder ieder opzicht klaar, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!stylus69Die houten, vergulde en verzilverde goden be- veiligen evenmin als een vogelverschrikker op een veld met komkommers,stylus70of een doornhaag om een tuin, waarop alle vogels gaan zitten. Ook gelijken hun houten, vergulde en verzilverde goden op lijken, die men in de duisternis werpt;stylus71aan het purper en lijnwaad, dat op hen ligt te rotten, kan men erkennen, dat ze geen goden zijn; tenslotte worden zij zelf weggevreten, en worden een schande voor het land.stylus72stylus