Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Baruch Hoofdstuk 2

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
BARUCH

Baruch 2

1Daarom deed ook de Heer zijn woord gestand, dat Hij gesproken had tegen ons, tegen onze leiders die Israël bestuurden, tegen onze koningen en vorsten, en tegen de mannen van Israël en Juda:
Sefanja 2:8, Sefanja 2:9, Sefanja 2:8, Sefanja 2:9, Ezechiël 25:8
2dat Hij over ons een grote rampspoed zou brengen, en dat Jerusalem zou worden getroffen, zoals nog nooit was gebeurd onder heel de hemel; dat zoals in Moses' wet staat geschreven,
Jeremia 48:24, Jeremia 48:41, Jeremia 48:24, Jeremia 48:41, Amos 1:14
3ieder van ons het vlees van zijn eigen zoon, het vlees van zijn eigen dochter zou eten.
Jeremia 48:7, Numeri 24:17, Jeremia 48:7, Numeri 24:17, Jesaja 40:23
4Hij leverde hen over in de macht van alle koninkrijken, die ons omringen, en maakte hen tot spot en hoon bij alle omliggende volken, waaronder de Heer hen had verstrooid.
Ezechiël 20:24, Ezechiël 20:24, Ezechiël 20:13, Ezechiël 20:16, Ezechiël 20:13
5Zo werden ze vernederd in plaats van te heersen, omdat wij gezondigd hadden tegen den Heer, onzen God, door niet te luisteren naar zijn stem.
Jeremia 17:27, Hosea 8:14, Jeremia 17:27, Hosea 8:14, Jeremia 21:10
6Ja, de Heer, onze God, is rechtvaardig; maar wij moeten blozen van schaamte, evenals onze vaderen.
Joël 3:3, Joël 3:3, Micha 3:2, Micha 3:3, Amos 5:11
7Al de rampen, waarmee de Heer ons gedreigd had, zijn over ons uitgestort.
Amos 5:12, Amos 5:12, Ezechiël 22:11, Jesaja 10:2, Ezechiël 22:11
8Wij hebben 's Heren aanschijn niet verzoend, door ons allen af te keren van de neigingen van ons verdorven hart.
Deuteronomium 24:12, Deuteronomium 24:17, Deuteronomium 24:12, Deuteronomium 24:17, Exodus 22:26
9Daarom bleef de Heer op de rampen bedacht, en stortte de Heer ze over ons uit.
Maleachi 4:1, Job 18:16, Maleachi 4:1, Job 18:16, Deuteronomium 3:11
10Want de Heer is rechtvaardig in al zijn daden, die Hij over ons heeft besloten; maar wij luisterden niet naar zijn stem, en leefden niet naar de geboden, die de Heer ons had voorgeschreven.
Deuteronomium 2:7, Deuteronomium 2:7, Exodus 12:51, Exodus 12:51, Amos 3:1
11Nu dan Heer, Israëls God, die uw volk uit het land van Egypte hebt geleid met krachtige hand, met tekens en wonderen, met grote macht en gespierde arm, en zó U een naam hebt verworven tot op de huidige dag:
Jeremia 7:25, Numeri 6:2, Numeri 6:3, Jeremia 7:25, Numeri 6:2
12Heer, onze God, wij hebben gezondigd, goddeloos gehandeld, misdaan tegen al uw geboden!
Jesaja 30:10, Amos 7:13, Jesaja 30:10, Amos 7:13, Micha 2:6
13Ach, wend toch uw gramschap van ons af; want van ons zijn er maar weinigen overgebleven onder de volken, waaronder Gij ons hebt verstrooid.
Jesaja 1:14, Jesaja 1:14, Maleachi 2:17, Jesaja 7:13, Psalmen 78:40
14Heer, verhoor ons bidden en smeken: Red ons toch om Uwentwil, en laat ons genade vinden bij hen, die ons hebben verbannen;
Jeremia 9:23, Jeremia 9:23, Amos 9:1, Amos 9:3, Psalmen 33:16
15opdat de hele aarde wete, dat Gij de Heer zijt, onze God, en dat Israël en zijn geslacht naar Uw Naam is genoemd.
Psalmen 33:16, Psalmen 33:17, Psalmen 33:16, Psalmen 33:17, Ezechiël 39:3
16Heer, zie neer uit uw heilige woning, en wil ons gedenken; Heer, neig uw oren en luister,
Marcus 14:52, Marcus 14:52, Richteren 4:17, 2 Koningen 7:8, 2 Koningen 7:20
17open uw ogen en zie! Neen, niet de doden in de onderwereld, wie de adem uit de borst is genomen, kunnen de glorie des Heren en zijn gerechtigheid prijzen;
18maar de ziel, die ten diepste bedroefd is, hij die gebukt gaat en gebroken, de smachtende ogen, de verhongerde geest prijzen uw glorie en gerechtigheid, o Heer!
19Neen, niet op grond der verdiensten van onze vaderen en koningen leggen wij ons gebed voor U neer, Heer, onze God!
20Neen, Gij hebt uw grimmige toorn op ons losgelaten, zoals Gij door de profeten, uw dienaars, gezegd had:
21“Zo spreekt de Heer! Buigt uw nek, en dient den koning van Babel; dan zult ge in het land blijven wonen, dat Ik uw vaderen heb gegeven.
22Maar wanneer ge niet luistert naar de stem van den Heer, en den koning van Babel niet dient,
23dan zal Ik in de steden van Juda en in Jerusalems omgeving de kreten van vreugde en blijdschap verstommen, de jubel van bruidegom, de jubel der bruid, en het hele land zal een wildernis worden zonder bewoners.”
24Maar wij luisterden niet naar uw bevel, om den koning van Babel te dienen; toen hebt Gij uw woord in vervulling doen gaan, dat Gij gesproken hebt door de profeten, uw dienaars: dat het gebeente van onze koningen en onze vaderen uit de graven zou worden geworpen.
25En zie, het is er uitgeworpen voor de hitte overdag, en voor de koude des nachts; ze zijn gestorven door de ergste plagen, door de honger, het zwaard en de pest;
26en de tempel, waarover uw Naam was uitgeroepen, hebt Gij om de misdaad van het huis van Israël en Juda getroffen, zoals hij heden nog ligt.
27Maar Gij zult met ons handelen, Heer onze God, naar heel uw goedheid en naar de volheid van uw grote ontferming,
28zoals Gij beloofd hebt door Moses, uw dienaar, toen Gij hem hebt bevolen, uw wet aan de kinderen Israëls voor te schrijven:
29”Wanneer ge niet luistert naar mijn stem, dan zal deze grote en talrijke schare een nietig hoopje worden onder de volkeren, waaronder Ik ze verstrooien zal;
30ja, Ik weet, dat zij niet naar Mij zullen horen, want het is een halsstarrig volk. Maar in het land hunner ballingschap zullen zij tot inkeer komen,
31en erkennen, dat Ik de Heer ben, hun God. Dan zal Ik hun een gewillig hart en gewillige oren verlenen:
32en zij zullen Mij in het land hunner ballingschap loven, en mijn Naam weer gedenken;
33zij zullen zich van hun halsstarrigheid en boze werken bekeren, indachtig het lot hunner vaderen, die gezondigd hebben tegen den Heer.
34Dan breng Ik ze terug naar het land, dat Ik hun vaderen, Abraham, Isaäk en Jakob, met een eed heb beloofd; zij zullen er bezit van nemen en Ik zal ze vermeerderen, en nooit meer worden ze klein.
35Dan zal Ik een eeuwig verbond met hen sluiten: Ik zal hun God, zij zullen mijn volk zijn; en nooit meer zal Ik Israël, mijn volk, uit het land verdrijven, dat Ik hun heb geschonken!”

Andere Boeken

BaruchEzechiëlDaniël+

Andere Boeken

BaruchHfst. 2
EzechiëlDaniëlHoseaJoëlAmos
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward