Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Leviticus Hoofdstuk 25

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
LEVITICUS

Leviticus 25

1Verder sprak de Heere tot Mozes, aan den berg Sinaï, zeggende:
Numeri 10:11, Numeri 10:12, Exodus 19:1, Galaten 4:24, Galaten 4:25
2Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den Heere.
2 Kronieken 36:21, 2 Kronieken 36:21, Leviticus 26:34, Leviticus 26:35, Exodus 23:10
3Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.
Exodus 23:10, Exodus 23:10
4Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den Heere; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.
2 Kronieken 36:21, 2 Kronieken 36:21, Leviticus 25:20, Leviticus 25:23, Exodus 23:10
5Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn.
Jesaja 37:30, 2 Koningen 19:29, Jesaja 37:30, 2 Koningen 19:29
6En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;
Handelingen 4:34, Handelingen 4:35, Handelingen 4:32, Leviticus 25:20, Handelingen 2:44
7Mitsgaders voor het vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn.
8Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.
Leviticus 23:15, Leviticus 23:15, Genesis 2:2, Genesis 2:2
9Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maand, de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw ganse land.
Leviticus 23:24, Leviticus 23:24, Leviticus 23:27, Leviticus 23:27, Leviticus 27:24
10En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht.
Jeremia 34:8, Jeremia 34:8, Jesaja 63:4, Jesaja 63:4, 1 Petrus 2:16
11Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden.
Leviticus 27:17, Leviticus 25:4, Leviticus 25:5, Leviticus 27:17, Leviticus 25:4
12Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten.
Leviticus 25:6, Leviticus 25:7, Leviticus 25:6, Leviticus 25:7
13Op dat jubeljaar zult gij ieder wederkeren tot zijn bezitting.
Leviticus 25:10, Leviticus 25:10, Leviticus 27:17, Leviticus 27:24, Leviticus 27:17
14Daarom, wanneer gij aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand uws naasten kopen zult, dat niemand de een den ander verdrukke.
Leviticus 19:13, Leviticus 19:13, Leviticus 25:17, Leviticus 25:17, Ezechiël 22:12
15Naar het getal der jaren, van het jubeljaar af, zult gij van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkopen.
Leviticus 27:18, Leviticus 27:23, Filippenzen 4:5, Leviticus 27:18, Leviticus 27:23
16Naar de veelheid der jaren zult gij zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid der jaren zult gij zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten.
Leviticus 25:51, Leviticus 25:27, Leviticus 25:51, Leviticus 25:27
17Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben de Heere, uw God!
Leviticus 19:14, Leviticus 19:32, Leviticus 19:14, Leviticus 19:32, Leviticus 25:43
18En doet Mijn inzettingen, en houdt Mijn rechten, en doet dezelve; zo zult gij zeker wonen in het land.
Deuteronomium 12:10, Jeremia 23:6, Deuteronomium 12:10, Jeremia 23:6, Spreuken 1:33
19En het land zal zijn vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe; en gij zult zeker daarin wonen.
Leviticus 26:5, Joël 2:26, Psalmen 85:12, Leviticus 26:5, Joël 2:26
20En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen;
Lucas 12:29, Leviticus 25:4, Lucas 12:29, Leviticus 25:4, Filippenzen 4:6
21Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.
Deuteronomium 28:8, Deuteronomium 28:8, Spreuken 10:22, Spreuken 10:22, 2 Korintiërs 9:10
22Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult gij het oude eten.
Leviticus 26:10, 2 Koningen 19:29, Leviticus 26:10, 2 Koningen 19:29, Jesaja 37:30
23Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.
1 Petrus 2:11, 1 Petrus 2:11, Psalmen 39:12, Psalmen 39:12, 1 Kronieken 29:15
24Daarom zult gij, in het ganse land uwer bezitting, lossing voor het land toelaten.
Efeziërs 1:14, 1 Korintiërs 1:30, Romeinen 8:23, Efeziërs 4:30, Leviticus 25:31
25Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broeders lossen.
Ruth 2:20, Ruth 2:20, Ruth 3:12, Jeremia 32:7, Jeremia 32:8
26En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn lossing;
Leviticus 5:7, Leviticus 5:7
27Dan zal hij de jaren zijner verkoping rekenen, en het overschot zal hij den man, wien hij het verkocht had, weder uitkeren; en hij zal weder tot zijn bezitting komen.
28Maar indien zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weder uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van deszelfs koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting wederkeren.
1 Petrus 1:4, 1 Petrus 1:5, 1 Tessalonicenzen 4:13, 1 Tessalonicenzen 4:18, Jesaja 35:9
29Insgelijks, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar zijner verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.
30Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het gehele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, hetwelk in die stad is, die een muur heeft, voor altoos blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan.
31Doch de huizen der dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld des lands gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan.
Psalmen 49:7, Psalmen 49:8, Psalmen 49:7, Psalmen 49:8
32Aangaande de steden der Levieten, en de huizen der steden hunner bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben.
Jozua 21:1, Jozua 21:45, Numeri 35:1, Numeri 35:8, Jozua 21:1
33En als men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop van het huis en van de stad zijner bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden der Levieten zijn hun bezitting in het midden van de kinderen Israëls.
Numeri 18:20, Numeri 18:24, Deuteronomium 18:1, Deuteronomium 18:2, Numeri 18:20
34Doch het veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen.
Leviticus 25:23, Handelingen 4:36, Handelingen 4:37, Leviticus 25:23, Handelingen 4:36
35En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve.
Lucas 6:35, Deuteronomium 15:7, Deuteronomium 15:8, Lucas 6:35, Deuteronomium 15:7
36Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar gij zult vrezen voor uw God, opdat uw broeder bij u leve.
Exodus 22:25, Exodus 22:25, Deuteronomium 23:19, Deuteronomium 23:20, Deuteronomium 23:19
37Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uw spijze niet op overwinst geven.
38Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zij.
Leviticus 11:45, Leviticus 11:45, Numeri 15:41, Exodus 20:2, Numeri 15:41
39Desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen den dienst van een slaaf;
Exodus 21:2, Exodus 21:2, 1 Koningen 9:22, 1 Koningen 9:22, 2 Koningen 4:1
40Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen.
Exodus 21:2, Exodus 21:3, Exodus 21:2, Exodus 21:3
41Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht wederkeren, en tot de bezitting zijner vaderen wederkeren.
Leviticus 25:28, Leviticus 25:28, Exodus 21:3, Exodus 21:3, Titus 2:14
42Want zij zijn Mijn dienstknechten, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden, gelijk men een slaaf verkoopt.
Leviticus 25:55, Leviticus 25:55, Romeinen 6:22, Romeinen 6:22, 1 Korintiërs 7:21
43Gij zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vrezen voor uw God.
Kolossenzen 4:1, Kolossenzen 4:1, Leviticus 25:17, Exodus 1:13, Exodus 1:14
44Aangaande uw slaaf of uw slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult gij een slaaf of een slavin kopen.
Jesaja 14:1, Jesaja 14:2, Exodus 12:44, Psalmen 2:8, Psalmen 2:9
45Gij zult ze ook kopen van de kinderen der bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeren, uit hen en uit hun geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot een bezitting zijn.
Jesaja 56:3, Jesaja 56:6, Jesaja 56:3, Jesaja 56:6
46En gij zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; gij zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broeders, de kinderen Israëls, een iegelijk over zijn broeder, gij zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid.
Jesaja 14:2, Jesaja 14:2, Leviticus 25:43, Leviticus 25:43
47En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broeder, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan den vreemdeling, den bijwoner, die bij u is, of aan den stam van het geslacht des vreemdelings zal verkocht hebben;
Leviticus 25:26, 1 Samuël 2:7, 1 Samuël 2:8, Jakobus 2:5, Leviticus 25:26
48Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; een van zijn broeders zal hem lossen;
Hebreeën 2:11, Hebreeën 2:13, Nehemia 5:5, Hebreeën 2:11, Hebreeën 2:13
49Of zijn oom, of de zoon zijns ooms, zal hem lossen, of die uit de naasten zijns vleses van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelven losse.
Leviticus 25:26, Leviticus 25:26
50En hij zal met zijn koper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar toe; alzo dat het geld zijner verkoping zal zijn naar het getal van de jaren, naar de dagen eens dagloners zal het met hem zijn.
Jesaja 16:14, Jesaja 21:16, Jesaja 16:14, Jesaja 21:16, Deuteronomium 15:18
51Indiën nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijn lossing van het geld, waarover hij gekocht is, wedergeven.
52En indien er nog weinige van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn lossing wedergeven.
53Als een dagloner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid voor uw ogen.
Leviticus 25:43, Leviticus 25:46, Leviticus 25:43, Leviticus 25:46
54En is het, dat hij hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem.
Exodus 21:2, Exodus 21:3, Exodus 21:2, Exodus 21:3, Jesaja 49:9
55Want de kinderen Israëls zijn Mij tot dienstknechten; Mijn dienstknechten zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de Heere, uw God!
Leviticus 25:42, Leviticus 25:42, Exodus 20:2, Exodus 13:3, Jesaja 43:3

Andere Boeken

LeviticusNumeriDeuteronomium+

Andere Boeken

LeviticusHfst. 25
NumeriDeuteronomiumJozuaRichterenRuth
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward