1Daarna zeide de Heere tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken.stylusEzechiël 44:25, Ezechiël 44:25, Numeri 19:14, Leviticus 19:28, Leviticus 10:62Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broeder.stylus1 Tessalonicenzen 4:13, Leviticus 18:6, 1 Tessalonicenzen 4:13, Leviticus 18:63En over zijn zuster, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen.stylus4Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen.stylusEzechiël 24:16, Ezechiël 24:17, Ezechiël 24:16, Ezechiël 24:175Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen den hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden.stylusDeuteronomium 14:1, Deuteronomium 14:1, Ezechiël 44:20, Ezechiël 44:20, Leviticus 19:276Zij zullen hun God heilig zijn, en den Naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen des Heeren, de spijze huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn.stylusLeviticus 3:11, Leviticus 18:21, Leviticus 3:11, Leviticus 18:21, 1 Petrus 2:97Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig.stylusLeviticus 21:13, Leviticus 21:14, Leviticus 21:13, Leviticus 21:14, Ezechiël 44:228Daarom zult gij hem heiligen, omdat hij de spijze uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben de Heere, die u heilige!stylusLeviticus 20:7, Leviticus 20:8, Leviticus 20:7, Leviticus 20:8, Leviticus 11:449Als nu de dochter van enigen priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden.stylusGenesis 38:24, Genesis 38:24, Leviticus 19:29, Leviticus 19:29, 1 Samuël 3:1310En hij, die de hogepriester onder zijn broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die klederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn klederen scheuren.stylusLeviticus 10:6, Leviticus 10:7, Leviticus 10:6, Leviticus 10:7, Leviticus 16:3211Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen.stylusNumeri 19:14, Numeri 19:14, Numeri 6:7, Leviticus 21:1, Leviticus 21:212En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet ontheilige, want de kroon der zalfolie zijns Gods is op hem; Ik ben de Heere!stylusLeviticus 10:7, Leviticus 10:7, Leviticus 8:9, Leviticus 8:12, Exodus 28:3613Hij zal ook een vrouw in haar maagdom nemen.stylusOpenbaring 14:4, Ezechiël 44:22, 2 Korintiërs 11:2, Leviticus 21:7, Openbaring 14:414Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen.stylusLeviticus 21:7, Leviticus 21:7, Ezechiël 44:22, Ezechiël 44:2215En hij zal zijn zaad onder zijn volken niet ontheiligen; want Ik ben de Heere, die hem heilige!stylusRomeinen 11:16, 1 Korintiërs 7:14, Romeinen 11:16, 1 Korintiërs 7:14, Ezra 2:6216Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende:stylus17Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, om de spijze zijns Gods te offeren.stylusNumeri 16:5, Psalmen 65:4, Leviticus 10:3, Numeri 16:5, Psalmen 65:418Want geen man, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, hij zij een blind man, of kreupel, of te kort, of te lang in leden;stylus1 Timotheüs 3:2, 1 Timotheüs 3:3, 1 Timotheüs 3:2, 1 Timotheüs 3:3, Leviticus 22:1919Of een man, in wien een breuk des voets, of een breuk der hand zal zijn;stylus20Of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of een vel op zijn oog zal hebben, of droge schurftheid, of etterige schurftheid, of die gebroken zal zijn aan zijn gemacht.stylusDeuteronomium 23:1, Deuteronomium 23:1, Jesaja 56:3, Jesaja 56:321Geen man, uit het zaad van Aäron, den priester, in wien een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen des Heeren te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om de spijs zijns Gods te offeren.stylusLeviticus 21:6, Leviticus 21:6, Leviticus 21:8, Leviticus 21:17, Leviticus 21:822De spijs zijns Gods, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten;stylusLeviticus 2:3, Leviticus 2:3, Numeri 18:9, Numeri 18:10, Leviticus 6:1623Doch tot den voorhang zal hij niet komen, en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheilige; want Ik ben de Heere, die hen heilige!stylusLeviticus 21:12, Leviticus 21:12, Exodus 40:26, Exodus 40:27, Leviticus 15:3124En Mozes sprak zulks tot Aäron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israëls.stylus1 Timotheüs 1:18, Maleachi 2:1, Maleachi 2:7, Kolossenzen 4:17, 2 Timotheüs 2:2