Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 24

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 24

1Abraham nu was oud en wel bedaagd; en de Heere had Abraham in alles gezegend.
Psalmen 112:1, Psalmen 112:3, Psalmen 112:1, Psalmen 112:3, Galaten 3:9
2Zo sprak Abraham tot zijn knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,
Genesis 47:29, Genesis 47:29, Genesis 39:4, Genesis 39:6, Genesis 39:4
3Opdat ik u doe zweren bij den Heere, den God des hemels, en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaänieten, in het midden van welke ik woon;
2 Korintiërs 6:14, 2 Korintiërs 6:17, Genesis 26:34, Genesis 26:35, 2 Korintiërs 6:14
4Maar dat gij naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult.
Genesis 28:2, Genesis 28:2, Genesis 11:25, Genesis 12:1, Genesis 12:7
5En die knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land, waar gij uitgetogen zijt?
Jeremia 4:2, Jeremia 4:2, Spreuken 13:16, Genesis 24:58, Exodus 9:2
6En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen brengt!
Hebreeën 10:39, Galaten 5:1, 2 Petrus 2:20, 2 Petrus 2:22, Hebreeën 10:39
7De Heere, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.
Psalmen 34:7, Hebreeën 1:14, Exodus 33:2, Psalmen 34:7, Hebreeën 1:14
8Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.
Jozua 2:17, Jozua 2:20, Jozua 2:17, Jozua 2:20, Numeri 30:5
9Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.
Genesis 24:2, Genesis 24:2
10En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.
Genesis 11:31, Deuteronomium 23:4, Genesis 11:31, Deuteronomium 23:4, 1 Kronieken 19:6
11En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen.
1 Samuël 9:11, 1 Samuël 9:11, Johannes 4:7, Exodus 2:16, Johannes 4:7
12En hij zeide: Heere! God van mijn heer Abraham! doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer.
Genesis 24:27, Genesis 24:27, 2 Koningen 2:14, Genesis 26:24, Exodus 3:6
13Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten;
Genesis 24:43, Genesis 24:43, Psalmen 37:5, Psalmen 37:5, Genesis 29:9
14Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemelen drenken; diezelve zij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.
Richteren 6:37, Richteren 6:37, Richteren 6:17, Richteren 6:17, Genesis 15:8
15En het geschiedde, eer hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuël geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder.
Genesis 11:29, Genesis 11:29, Genesis 24:45, Jesaja 65:24, Genesis 24:45
16En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op.
Genesis 26:7, Genesis 26:7, Numeri 31:17, Numeri 31:18, Genesis 39:6
17Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig waters uit uw kruik drinken.
Johannes 4:7, Johannes 4:7, Genesis 26:1, Genesis 26:35, Jesaja 21:14
18En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neder op haar hand, en gaf hem te drinken.
Spreuken 31:26, Genesis 24:14, 1 Petrus 4:8, 1 Petrus 4:9, 1 Petrus 3:8
19Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken.
Genesis 24:14, Genesis 24:14, Genesis 24:45, Genesis 24:46, 1 Petrus 4:9
20En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijn kemelen.
21En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de Heere zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.
Genesis 24:12, Psalmen 107:43, Genesis 24:12, Psalmen 107:43, Lucas 2:51
22En het geschiedde, als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.
Ezechiël 16:11, Ezechiël 16:12, Ezechiël 16:11, Ezechiël 16:12, Exodus 32:2
23Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? geef het mij toch te kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons, om te vernachten?
24En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuël, den zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft.
Genesis 24:15, Genesis 24:15, Genesis 22:23, Genesis 22:23, Genesis 22:20
25Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voeders bij ons, ook plaats om te vernachten.
1 Petrus 4:9, Jesaja 32:8, 1 Petrus 4:9, Jesaja 32:8, Richteren 19:19
26Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad den Heere;
Genesis 24:48, Genesis 24:48, Genesis 24:52, Exodus 4:31, Genesis 24:52
27En hij zeide: Geloofd zij de Heere, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, de Heere heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broederen.
Genesis 24:48, Genesis 24:48, Genesis 24:12, Genesis 32:10, Psalmen 98:3
28En die jonge dochter liep, en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren.
Genesis 24:48, Genesis 24:55, Genesis 31:33, Genesis 24:67, Genesis 24:48
29En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot dien man naar buiten tot de fontein.
Genesis 29:5, Genesis 29:5, Genesis 24:55, Genesis 29:13, Genesis 24:55
30En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot dien man, en ziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein.
31En hij zeide: Kom in, gij, gezegende des Heeren! waarom zoudt gij buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen.
Ruth 3:10, Genesis 26:29, Ruth 3:10, Genesis 26:29, Psalmen 115:15
32Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf den kemelen stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten der mannen, die bij hem waren.
Genesis 43:24, Richteren 19:21, Genesis 43:24, Richteren 19:21, Genesis 18:4
33Daarna werd hem te eten voorgezet ; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek!
Psalmen 132:3, Psalmen 132:5, Psalmen 132:3, Psalmen 132:5, Efeziërs 6:5
34Toen zeide hij: Ik ben een knecht van Abraham;
35En de Heere heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kemelen, en ezelen.
Genesis 13:2, Genesis 24:1, Genesis 13:2, Genesis 24:1, Psalmen 107:38
36En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven, alles, wat hij heeft.
Genesis 25:5, Genesis 25:5, Genesis 21:10, Genesis 21:10, Genesis 21:1
37En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaänieten, in welker land ik wone;
Ezra 9:1, Ezra 9:3, Genesis 24:2, Genesis 24:9, Genesis 27:46
38Maar gij zult trekken naar het huis mijns vaders, en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen!
Genesis 24:4, Genesis 24:4, Genesis 31:19, Genesis 12:1, Genesis 31:19
39Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen.
Genesis 24:5, Genesis 24:5
40En hij zeide tot mij: De Heere, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis.
Exodus 23:20, Exodus 23:20, Psalmen 16:8, Psalmen 16:8, Genesis 5:24
41Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed.
Genesis 24:8, Genesis 24:8, Deuteronomium 29:12, Deuteronomium 29:12
42En ik kwam heden aan de fontein; en ik zeide: O, Heere! God van mijn heer Abraham! zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult, op welke ik ga;
Nehemia 1:11, Nehemia 1:11, Romeinen 1:10, Genesis 24:12, Genesis 24:14
43Zie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig waters te drinken uit uw kruik;
Genesis 24:13, Genesis 24:14, Genesis 24:13, Genesis 24:14
44En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook uw kemelen putten; dat deze die vrouw zij, die de Heere aan den zoon van mijn heer heeft toegewezen.
Genesis 24:14, Genesis 24:14, Jesaja 32:8, Spreuken 19:14, 1 Petrus 3:8
45Eer ik geëindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken!
Daniël 9:23, Handelingen 10:30, Handelingen 12:12, Handelingen 12:17, Jesaja 65:24
46Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zal ook uw kemelen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemelen.
Genesis 24:18, Genesis 24:19, Genesis 24:18, Genesis 24:19
47Toen vraagde ik haar, en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Bethuël, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard heeft. Zo leide ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;
Jesaja 62:3, Jesaja 62:5, Psalmen 45:13, Psalmen 45:14, Genesis 24:22
48En ik neigde mijn hoofd, en aanbad den Heere; en ik loofde den Heere, den God van mijn heer Abraham, Die mij op den rechten weg geleid had, om de dochter des broeders van mijn heer voor zijn zoon te nemen.
Genesis 24:26, Genesis 24:27, Genesis 24:26, Genesis 24:27, Psalmen 48:14
49Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechter hand of ter linkerhand wende.
Genesis 47:29, Genesis 47:29, Jozua 2:14, Jozua 2:14, Genesis 32:10
50Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeiden: Van den Heere is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken.
Psalmen 118:23, Psalmen 118:23, Genesis 31:24, Genesis 31:24, Genesis 31:29
51Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek henen; zij zij de vrouw van den zoon uws heren, gelijk de Heere gesproken heeft!
2 Samuël 16:10, Genesis 24:15, 2 Samuël 16:10, Genesis 24:15, Genesis 20:15
52En het geschiedde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor den Heere.
Genesis 24:26, Genesis 24:48, Genesis 24:26, Genesis 24:48, Psalmen 116:1
53En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en klederen, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broeder en haar moeder kostelijkheden.
Genesis 24:10, Genesis 24:22, Genesis 24:10, Genesis 24:22, Exodus 3:22
54Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij vernachtten, en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer!
Genesis 24:56, Genesis 24:56, Genesis 24:59, Genesis 24:59, Genesis 45:24
55Toen zeide haar broeder, en haar moeder: Laat de jonge dochter enige dagen, of tien, bij ons blijven; daarna zult gij gaan.
Richteren 14:8, Leviticus 25:29, Genesis 4:3, Richteren 14:8, Leviticus 25:29
56Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de Heere mijn weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga.
Jozua 1:8, Spreuken 25:25, Jesaja 48:15, Jozua 1:8, Spreuken 25:25
57Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen.
58En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken.
Psalmen 45:10, Psalmen 45:11, Psalmen 45:10, Psalmen 45:11, Lucas 1:38
59Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen.
Genesis 35:8, Genesis 35:8, 1 Tessalonicenzen 2:5, Numeri 11:12, Genesis 24:60
60En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!
Genesis 22:17, Genesis 22:17, Genesis 17:16, Genesis 17:16, Ruth 4:11
61En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochteren, en zij reden op kemelen, en volgden den man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen.
Genesis 2:24, Psalmen 45:10, Genesis 2:24, Psalmen 45:10, Esther 8:10
62Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-roi; en hij woonde in het zuiderland.
Genesis 16:14, Genesis 25:11, Genesis 16:14, Genesis 25:11, Genesis 20:1
63En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen!
Psalmen 119:15, Psalmen 119:15, Jozua 1:8, Psalmen 104:34, Psalmen 1:2
64Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.
Jozua 15:18, Richteren 1:14, Jozua 15:18, Richteren 1:14
65En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer! Toen nam zij den sluier, en bedekte zich.
1 Timotheüs 2:9, 1 Timotheüs 2:9, 1 Korintiërs 11:5, 1 Korintiërs 11:6, 1 Korintiërs 11:5
66En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had.
Marcus 6:30, Marcus 6:30
67En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.
Genesis 38:12, Genesis 23:1, Genesis 23:2, Genesis 37:35, Genesis 38:12

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 24
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward