1En de Heere bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de Heere deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.stylusPsalmen 12:6, Genesis 18:10, Psalmen 12:6, Genesis 18:10, Genesis 17:192En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.stylusHebreeën 11:11, Galaten 4:22, Hebreeën 11:11, Galaten 4:22, Lucas 1:363En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.stylusGenesis 17:19, Genesis 17:19, Romeinen 9:7, Genesis 21:6, Romeinen 9:74En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.stylusHandelingen 7:8, Handelingen 7:8, Genesis 17:10, Genesis 17:12, Lucas 2:215En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.stylusGenesis 17:17, Genesis 17:17, Romeinen 4:19, Genesis 17:1, Romeinen 4:196En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.stylusJesaja 54:1, Psalmen 126:2, Jesaja 54:1, Psalmen 126:2, Genesis 17:177Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.stylusJesaja 66:8, Genesis 18:11, Genesis 18:12, Jesaja 66:8, Genesis 18:118En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.stylus1 Samuël 1:22, 1 Samuël 1:22, Hosea 1:8, Hosea 1:8, Genesis 19:39En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.stylusGenesis 16:15, Genesis 16:15, Galaten 4:29, Galaten 4:29, Genesis 16:110En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.stylusJohannes 8:35, Johannes 8:35, 1 Petrus 1:4, 1 Johannes 2:19, Galaten 4:2211En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.stylusGenesis 17:18, Hebreeën 12:11, Genesis 17:18, Hebreeën 12:11, 2 Samuël 18:3312Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.stylusHebreeën 11:18, Hebreeën 11:18, Romeinen 9:7, Romeinen 9:8, Romeinen 9:713Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.stylusGenesis 21:18, Genesis 21:18, Genesis 16:10, Genesis 17:20, Genesis 16:1014Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.stylusSpreuken 27:14, Genesis 26:31, Psalmen 107:4, Genesis 21:31, Genesis 16:715Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.stylusJeremia 14:3, Exodus 15:22, Exodus 15:25, Psalmen 63:1, 2 Koningen 3:916En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.stylusEsther 8:6, Jesaja 49:15, 1 Koningen 3:26, Esther 8:6, Jesaja 49:1517En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.stylusGenesis 16:11, Genesis 16:11, Psalmen 50:15, Psalmen 50:15, Exodus 3:718Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.stylusGenesis 21:13, Genesis 21:13, Genesis 16:10, Genesis 16:10, 1 Kronieken 1:2919En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.stylusNumeri 22:31, Numeri 22:31, 2 Koningen 6:17, 2 Koningen 6:20, 2 Koningen 6:1720En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.stylusGenesis 28:15, Genesis 28:15, Genesis 39:21, Genesis 39:21, Genesis 16:1221En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.stylusRichteren 14:2, Genesis 24:3, Genesis 24:4, Numeri 13:26, Genesis 26:3422Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.stylusGenesis 26:26, Genesis 26:26, Genesis 26:28, Jozua 3:7, Genesis 20:223Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.stylusJozua 2:12, Jozua 2:12, Genesis 20:14, Genesis 20:14, 1 Samuël 30:1524En Abraham zeide: Ik zal zweren.stylusGenesis 14:13, Romeinen 12:18, Hebreeën 6:16, Genesis 14:13, Romeinen 12:1825En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.stylusGenesis 26:15, Genesis 26:22, Genesis 26:15, Genesis 26:22, Mattheüs 18:1526Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.stylusGenesis 13:7, 2 Koningen 5:20, 2 Koningen 5:24, Genesis 13:7, 2 Koningen 5:2027En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.stylus1 Samuël 18:3, Spreuken 21:14, Jesaja 32:8, Genesis 14:22, Genesis 14:2328Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.stylus29Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?stylusExodus 12:26, Genesis 33:8, 1 Samuël 15:14, Exodus 12:26, Genesis 33:830En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.stylusGenesis 31:52, Genesis 31:52, Jozua 24:27, Genesis 31:44, Genesis 31:4831Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.stylusGenesis 26:33, Genesis 26:33, Genesis 21:14, Genesis 21:14, 2 Samuël 17:1132Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.stylusExodus 13:17, Richteren 13:1, Genesis 31:53, 1 Samuël 18:3, Genesis 10:1433En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des Heeren, des eeuwigen Gods, aan.stylus1 Timotheüs 1:17, 1 Timotheüs 1:17, Jesaja 40:28, Jesaja 40:28, Psalmen 90:234En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.stylusGenesis 20:1, 1 Petrus 2:11, Psalmen 39:12, Hebreeën 11:13, Hebreeën 11:9