Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Genesis Hoofdstuk 19

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
GENESIS

Genesis 19

1En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
Genesis 18:1, Genesis 18:5, Genesis 18:22, Genesis 18:1, Genesis 18:5
2En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.
Genesis 18:4, Genesis 18:4, Handelingen 16:15, Lucas 24:28, Lucas 24:29
3En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.
Genesis 18:6, Genesis 18:8, Genesis 18:6, Genesis 18:8, 1 Samuël 28:24
4Eer zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af.
Genesis 13:13, Genesis 13:13, Spreuken 4:16, Spreuken 4:16, Exodus 23:2
5En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.
Richteren 19:22, Richteren 19:22, Jesaja 3:9, Judas 1:7, Jesaja 3:9
6Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;
Richteren 19:23, Richteren 19:23
7En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!
Leviticus 20:13, Genesis 19:4, Leviticus 18:22, Romeinen 1:24, Richteren 19:23
8Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
Richteren 19:24, Richteren 19:24, Genesis 19:31, Genesis 19:38, Genesis 19:31
9Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.
Exodus 2:14, Exodus 2:14, 2 Petrus 2:7, 2 Petrus 2:8, Genesis 13:12
10Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.
11En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden.
2 Koningen 6:18, 2 Koningen 6:18, Handelingen 13:11, Handelingen 13:11, Deuteronomium 28:28
12Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats;
Genesis 7:1, Genesis 7:1, 2 Petrus 2:7, Openbaring 18:4, 2 Petrus 2:7
13Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des Heeren, en de Heere ons uitgezonden heeft, om haar te verderven.
Genesis 18:20, Genesis 18:20, Mattheüs 13:49, Mattheüs 13:50, Handelingen 12:23
14Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de Heere gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.
Numeri 16:21, Numeri 16:21, Numeri 16:45, Numeri 16:45, Numeri 16:26
15En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.
Numeri 16:24, Numeri 16:27, Numeri 16:24, Numeri 16:27, Openbaring 18:4
16Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des Heeren over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.
Romeinen 9:15, Romeinen 9:16, Romeinen 9:15, Romeinen 9:16, Psalmen 106:1
17En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.
Mattheüs 24:16, Mattheüs 24:18, Mattheüs 24:16, Mattheüs 24:18, Lucas 9:62
18En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!
Johannes 13:6, Johannes 13:8, 2 Koningen 5:11, 2 Koningen 5:12, Jesaja 45:11
19Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
Psalmen 106:1, Psalmen 106:48, Genesis 12:13, Mattheüs 8:25, Mattheüs 8:26
20Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.
Psalmen 119:175, Psalmen 119:175, Spreuken 3:5, Spreuken 3:7, Spreuken 3:5
21En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.
Psalmen 145:19, Psalmen 145:19, Psalmen 102:17, Job 42:8, Job 42:9
22Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.
Genesis 13:10, Genesis 13:10, Genesis 14:2, Genesis 14:2, Deuteronomium 9:14
23De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.
24Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den Heere uit den hemel.
Deuteronomium 29:23, Deuteronomium 29:23, Jesaja 13:19, Jesaja 13:19, Judas 1:7
25En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.
Psalmen 107:34, Psalmen 107:34, Genesis 14:3, Genesis 14:3, Genesis 13:10
26En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
Lucas 17:31, Lucas 17:32, Lucas 17:31, Lucas 17:32, Genesis 19:17
27En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had.
Habakuk 2:1, Habakuk 2:1, Psalmen 5:3, Psalmen 5:3, Ezechiël 16:49
28En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.
Openbaring 18:9, Openbaring 18:9, Openbaring 9:2, Openbaring 9:2, Judas 1:7
29En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
Genesis 8:1, Deuteronomium 9:5, Genesis 8:1, Deuteronomium 9:5, Genesis 18:23
30En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.
Genesis 19:19, Genesis 19:19, Genesis 13:10, Genesis 19:17, Jeremia 2:36
31Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.
Deuteronomium 25:5, Deuteronomium 25:5, Genesis 16:2, Genesis 4:1, Genesis 6:4
32Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en hem hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.
Leviticus 18:6, Leviticus 18:7, Leviticus 18:6, Leviticus 18:7, Genesis 11:3
33En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.
Leviticus 18:6, Leviticus 18:7, Spreuken 23:29, Spreuken 23:35, Habakuk 2:15
34En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.
Jesaja 3:9, Jeremia 3:3, Jeremia 6:15, Jeremia 8:12, Jeremia 5:3
35En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.
1 Petrus 4:7, 1 Korintiërs 10:11, 1 Korintiërs 10:12, Spreuken 24:16, Prediker 7:26
36En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.
Habakuk 2:15, Habakuk 2:15, Genesis 19:8, 1 Samuël 15:33, Leviticus 18:6
37En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag.
Deuteronomium 2:9, Deuteronomium 2:9, Ruth 4:10, 2 Koningen 3:1, 2 Koningen 3:27
38En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.
Deuteronomium 2:19, Deuteronomium 2:19, Nehemia 13:1, Nehemia 13:3, 1 Samuël 11:1

Andere Boeken

GenesisExodusLeviticus+

Andere Boeken

GenesisHfst. 19
ExodusLeviticusNumeriDeuteronomiumJozua
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward