1En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.stylusGenesis 18:1, Genesis 18:5, Genesis 18:22, Genesis 18:1, Genesis 18:52En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.stylusGenesis 18:4, Genesis 18:4, Handelingen 16:15, Lucas 24:28, Lucas 24:293En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.stylusGenesis 18:6, Genesis 18:8, Genesis 18:6, Genesis 18:8, 1 Samuël 28:244Eer zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af.stylusGenesis 13:13, Genesis 13:13, Spreuken 4:16, Spreuken 4:16, Exodus 23:25En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.stylusRichteren 19:22, Richteren 19:22, Jesaja 3:9, Judas 1:7, Jesaja 3:96Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;stylusRichteren 19:23, Richteren 19:237En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!stylusLeviticus 20:13, Genesis 19:4, Leviticus 18:22, Romeinen 1:24, Richteren 19:238Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.stylusRichteren 19:24, Richteren 19:24, Genesis 19:31, Genesis 19:38, Genesis 19:319Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.stylusExodus 2:14, Exodus 2:14, 2 Petrus 2:7, 2 Petrus 2:8, Genesis 13:1210Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.stylus11En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden.stylus2 Koningen 6:18, 2 Koningen 6:18, Handelingen 13:11, Handelingen 13:11, Deuteronomium 28:2812Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats;stylusGenesis 7:1, Genesis 7:1, 2 Petrus 2:7, Openbaring 18:4, 2 Petrus 2:713Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des Heeren, en de Heere ons uitgezonden heeft, om haar te verderven.stylusGenesis 18:20, Genesis 18:20, Mattheüs 13:49, Mattheüs 13:50, Handelingen 12:2314Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de Heere gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.stylusNumeri 16:21, Numeri 16:21, Numeri 16:45, Numeri 16:45, Numeri 16:2615En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.stylusNumeri 16:24, Numeri 16:27, Numeri 16:24, Numeri 16:27, Openbaring 18:416Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des Heeren over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.stylusRomeinen 9:15, Romeinen 9:16, Romeinen 9:15, Romeinen 9:16, Psalmen 106:117En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.stylusMattheüs 24:16, Mattheüs 24:18, Mattheüs 24:16, Mattheüs 24:18, Lucas 9:6218En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!stylusJohannes 13:6, Johannes 13:8, 2 Koningen 5:11, 2 Koningen 5:12, Jesaja 45:1119Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!stylusPsalmen 106:1, Psalmen 106:48, Genesis 12:13, Mattheüs 8:25, Mattheüs 8:2620Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.stylusPsalmen 119:175, Psalmen 119:175, Spreuken 3:5, Spreuken 3:7, Spreuken 3:521En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.stylusPsalmen 145:19, Psalmen 145:19, Psalmen 102:17, Job 42:8, Job 42:922Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.stylusGenesis 13:10, Genesis 13:10, Genesis 14:2, Genesis 14:2, Deuteronomium 9:1423De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.stylus24Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den Heere uit den hemel.stylusDeuteronomium 29:23, Deuteronomium 29:23, Jesaja 13:19, Jesaja 13:19, Judas 1:725En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.stylusPsalmen 107:34, Psalmen 107:34, Genesis 14:3, Genesis 14:3, Genesis 13:1026En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.stylusLucas 17:31, Lucas 17:32, Lucas 17:31, Lucas 17:32, Genesis 19:1727En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had.stylusHabakuk 2:1, Habakuk 2:1, Psalmen 5:3, Psalmen 5:3, Ezechiël 16:4928En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.stylusOpenbaring 18:9, Openbaring 18:9, Openbaring 9:2, Openbaring 9:2, Judas 1:729En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.stylusGenesis 8:1, Deuteronomium 9:5, Genesis 8:1, Deuteronomium 9:5, Genesis 18:2330En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.stylusGenesis 19:19, Genesis 19:19, Genesis 13:10, Genesis 19:17, Jeremia 2:3631Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.stylusDeuteronomium 25:5, Deuteronomium 25:5, Genesis 16:2, Genesis 4:1, Genesis 6:432Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en hem hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.stylusLeviticus 18:6, Leviticus 18:7, Leviticus 18:6, Leviticus 18:7, Genesis 11:333En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.stylusLeviticus 18:6, Leviticus 18:7, Spreuken 23:29, Spreuken 23:35, Habakuk 2:1534En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.stylusJesaja 3:9, Jeremia 3:3, Jeremia 6:15, Jeremia 8:12, Jeremia 5:335En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.stylus1 Petrus 4:7, 1 Korintiërs 10:11, 1 Korintiërs 10:12, Spreuken 24:16, Prediker 7:2636En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.stylusHabakuk 2:15, Habakuk 2:15, Genesis 19:8, 1 Samuël 15:33, Leviticus 18:637En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag.stylusDeuteronomium 2:9, Deuteronomium 2:9, Ruth 4:10, 2 Koningen 3:1, 2 Koningen 3:2738En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.stylusDeuteronomium 2:19, Deuteronomium 2:19, Nehemia 13:1, Nehemia 13:3, 1 Samuël 11:1