1Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.stylusGalaten 4:24, Galaten 4:24, Genesis 12:16, Genesis 12:16, Genesis 21:92Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.stylusGenesis 3:17, Genesis 18:10, Exodus 21:4, Genesis 3:17, Genesis 18:103Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.stylusGenesis 12:4, Genesis 12:5, Genesis 16:5, Genesis 12:4, Genesis 12:54En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.stylusSpreuken 30:23, Spreuken 30:23, 2 Samuël 6:16, 1 Korintiërs 13:4, 1 Korintiërs 13:55Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de Heere rechte tussen mij en tussen u!stylusGenesis 31:53, Genesis 31:53, Exodus 5:21, Exodus 5:21, 2 Kronieken 24:226En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.stylusJeremia 38:5, Jeremia 38:5, Spreuken 29:19, Job 2:6, Psalmen 106:417En de Engel des Heeren vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.stylusGenesis 25:18, Exodus 15:22, Genesis 21:17, Genesis 25:18, Exodus 15:228En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!stylusGenesis 3:9, Genesis 3:9, Genesis 4:10, Genesis 4:10, Prediker 10:49Toen zeide de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.stylus1 Petrus 5:5, 1 Petrus 5:6, 1 Petrus 5:5, 1 Petrus 5:6, Prediker 10:410Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.stylusGenesis 17:20, Genesis 17:20, Psalmen 83:6, Psalmen 83:7, Psalmen 83:611Ook zeide des Heeren Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de Heere uw verdrukking aangehoord heeft.stylusExodus 2:23, Exodus 2:24, Exodus 2:23, Exodus 2:24, Exodus 3:712En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.stylusGenesis 25:18, Genesis 21:20, Genesis 25:18, Genesis 21:20, Job 39:513En zij noemde den Naam des Heeren, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?stylusPsalmen 139:1, Psalmen 139:12, Psalmen 139:1, Psalmen 139:12, Genesis 32:3014Daarom noemde men dien put, den put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.stylusGenesis 25:11, Numeri 13:26, Genesis 24:62, Genesis 25:11, Numeri 13:2615En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël.stylusGenesis 25:12, Genesis 25:12, Genesis 16:11, Genesis 28:9, Genesis 21:916En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.stylus