Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Exodus Hoofdstuk 6

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
EXODUS

Exodus 6

1[05:24] Toen zeide de Heere tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.
Exodus 12:33, Exodus 12:33, Exodus 12:31, Exodus 12:39, Psalmen 136:12
2[06:1] Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de Heere,
Maleachi 3:6, Jeremia 9:24, Jesaja 42:8, Handelingen 17:24, Handelingen 17:25
3[06:2] En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam Heere ben Ik hun niet bekend geweest.
Psalmen 83:18, Psalmen 68:4, Psalmen 83:18, Psalmen 68:4, Exodus 3:14
4[06:3] En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaän, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.
Genesis 28:4, Genesis 28:4, Genesis 15:18, Genesis 15:18, Genesis 17:7
5[06:4] En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israëls, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.
Exodus 2:24, Exodus 2:24, Jesaja 63:9, Psalmen 106:44, Psalmen 106:45
6[06:5] Derhalve zeg tot de kinderen Israëls: Ik ben de Heere! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;
Deuteronomium 26:8, Deuteronomium 26:8, 1 Kronieken 17:21, 1 Kronieken 17:21, Deuteronomium 7:8
7[06:6] En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de Heere uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren.
Deuteronomium 29:13, Deuteronomium 7:6, Deuteronomium 29:13, Deuteronomium 7:6, Deuteronomium 4:20
8[06:7] En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de Heere!
Genesis 15:18, Genesis 26:3, Genesis 15:18, Genesis 26:3, Ezechiël 20:5
9[06:8] En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israëls; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.
Job 21:4, Exodus 5:21, Job 21:4, Exodus 5:21, Numeri 21:4
10[06:9] Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende:
11[06:10] Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken late.
Exodus 5:1, Exodus 5:23, Exodus 6:29, Exodus 3:10, Exodus 7:1
12[06:11] Doch Mozes sprak voor den Heere, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen.
Exodus 4:10, Exodus 4:10, Exodus 6:30, Jeremia 1:6, Exodus 6:30
13[06:12] Evenwel sprak de Heere tot Mozes en tot Aäron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israëls, en aan Farao, den koning van Egypte, om de kinderen Israëls uit Egypteland te leiden.
2 Timotheüs 4:1, Deuteronomium 31:14, 1 Timotheüs 1:18, 1 Timotheüs 6:13, 1 Timotheüs 5:21
14[06:13] Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.
Genesis 46:9, Genesis 46:9, 1 Kronieken 5:3, 1 Kronieken 5:3, Numeri 26:5
15[06:14] En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.
Genesis 46:10, 1 Kronieken 4:24, Genesis 46:10, 1 Kronieken 4:24, Numeri 26:12
16[06:15] Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
Numeri 3:17, Genesis 46:11, Numeri 3:17, Genesis 46:11, 1 Kronieken 6:1
17[06:16] De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen.
1 Kronieken 6:17, 1 Kronieken 6:17, Numeri 3:18, Numeri 3:18, 1 Kronieken 23:7
18[06:17] En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
1 Kronieken 6:18, 1 Kronieken 6:2, 1 Kronieken 6:18, 1 Kronieken 6:2, Numeri 3:19
19[06:18] En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.
Numeri 3:20, 1 Kronieken 6:19, 1 Kronieken 23:21, Numeri 3:20, 1 Kronieken 6:19
20[06:19] En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
Numeri 26:59, Exodus 2:1, Exodus 2:2, Numeri 26:59, Exodus 2:1
21[06:20] En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri.
Numeri 16:1, 1 Kronieken 6:37, 1 Kronieken 6:38, Numeri 16:1, 1 Kronieken 6:37
22[06:21] En de zonen van Uzziël: Misael, en Elzafan, en Sithri.
Leviticus 10:4, Leviticus 10:4, Numeri 3:30, Numeri 3:30, Nehemia 3:20
23[06:22] En Aäron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
Ruth 4:19, Ruth 4:20, Ruth 4:19, Ruth 4:20, Numeri 2:3
24[06:23] En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen der Korachieten.
1 Kronieken 6:22, 1 Kronieken 6:23, 1 Kronieken 6:22, 1 Kronieken 6:23, Numeri 16:32
25[06:24] En Eleazar, de zoon van Aäron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
Jozua 24:33, Jozua 24:33, Numeri 25:7, Numeri 25:13, Numeri 25:7
26[06:25] Dit is Aäron en Mozes, tot welke de Heere zeide: Leidt de kinderen Israëls uit Egypteland, naar hun heiren.
Exodus 12:51, Exodus 7:4, Exodus 12:17, Exodus 12:51, Exodus 7:4
27[06:26] Dezen zijn het, die tot Farao, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israëls uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aäron.
Exodus 5:1, Exodus 5:3, Exodus 32:7, Micha 6:4, Psalmen 77:20
28[06:27] En het geschiedde te dien dage, als de Heere tot Mozes sprak in Egypteland;
29[06:28] Zo sprak de Heere tot Mozes, zeggende: Ik ben de Heere! spreek tot Farao, den koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.
Exodus 7:2, Exodus 6:11, Exodus 7:2, Exodus 6:11, Exodus 6:2
30[06:29] Toen zeide Mozes voor het aangezicht des Heeren: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?
Exodus 6:12, Exodus 6:12, Exodus 4:10, Exodus 4:10, 1 Korintiërs 9:16

Andere Boeken

ExodusLeviticusNumeri+

Andere Boeken

ExodusHfst. 6
LeviticusNumeriDeuteronomiumJozuaRichteren
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward