1Toen sprak God al deze woorden, zeggende:stylusDeuteronomium 5:22, Deuteronomium 5:22, Deuteronomium 5:4, Deuteronomium 5:4, Deuteronomium 4:362Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.stylusDeuteronomium 5:6, Deuteronomium 5:6, Hosea 13:4, Hosea 13:4, Leviticus 26:133Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.stylusDeuteronomium 5:7, Deuteronomium 5:7, Mattheüs 4:10, Mattheüs 4:10, Psalmen 81:94Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.stylusLeviticus 26:1, Leviticus 26:1, Deuteronomium 5:8, Deuteronomium 5:8, Deuteronomium 4:155Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;stylusNumeri 14:18, Numeri 14:18, Deuteronomium 5:9, Deuteronomium 5:9, Deuteronomium 4:246En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.stylusDeuteronomium 7:9, Deuteronomium 7:9, Johannes 14:21, 1 Johannes 5:3, Johannes 14:217Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.stylusDeuteronomium 5:11, Deuteronomium 5:11, Leviticus 19:12, Leviticus 19:12, Jakobus 5:128Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.stylusLeviticus 26:2, Leviticus 19:3, Leviticus 26:2, Leviticus 19:3, Exodus 31:139Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;stylusLucas 13:14, Lucas 13:14, Exodus 23:12, Exodus 34:21, Exodus 23:1210Maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;stylusDeuteronomium 5:14, Deuteronomium 5:15, Deuteronomium 5:14, Deuteronomium 5:15, Exodus 34:2111Want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de Heere den sabbatdag, en heiligde denzelven.stylusGenesis 1:1, Genesis 1:2, Genesis 1:1, Genesis 1:2, Genesis 2:212Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft.stylusEfeziërs 6:1, Efeziërs 6:3, Efeziërs 6:1, Efeziërs 6:3, Kolossenzen 3:2013Gij zult niet doodslaan.stylusRomeinen 13:9, Romeinen 13:9, Deuteronomium 5:17, Deuteronomium 5:17, Genesis 9:514Gij zult niet echtbreken.stylusHebreeën 13:4, Hebreeën 13:4, Deuteronomium 5:18, Deuteronomium 5:18, Romeinen 7:215Gij zult niet stelen.stylusRomeinen 13:9, Romeinen 13:9, Efeziërs 4:28, Efeziërs 4:28, Leviticus 19:1116Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.stylusSpreuken 19:5, Spreuken 19:5, Mattheüs 19:18, Mattheüs 19:18, Psalmen 15:317Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.stylusRomeinen 13:9, Romeinen 13:9, Lucas 12:15, Lucas 12:15, Hebreeën 13:518En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre;stylusExodus 19:16, Exodus 19:18, Exodus 19:16, Exodus 19:18, Jeremia 23:2319En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!stylusDeuteronomium 18:16, Deuteronomium 18:16, Handelingen 7:38, Handelingen 7:38, Galaten 3:1920En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.stylusDeuteronomium 13:3, Deuteronomium 13:3, Spreuken 3:7, Spreuken 3:7, 1 Samuël 12:2021En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.stylus1 Koningen 8:12, 1 Koningen 8:12, Psalmen 97:2, Psalmen 97:2, 1 Timotheüs 6:1622Toen zeide de Heere tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.stylusNehemia 9:13, Nehemia 9:13, Deuteronomium 4:36, Deuteronomium 4:36, Hebreeën 12:2523Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.stylusEzechiël 20:39, Ezechiël 20:39, Sefanja 1:5, 2 Koningen 17:33, Sefanja 1:524Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.stylusDeuteronomium 12:5, Deuteronomium 12:5, 2 Kronieken 6:6, 2 Kronieken 6:6, Psalmen 132:1325Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.stylusDeuteronomium 27:5, Deuteronomium 27:6, Jozua 8:31, Deuteronomium 27:5, Deuteronomium 27:626Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.stylus1 Petrus 1:16, 1 Petrus 1:16, Psalmen 89:7, Prediker 5:1, Psalmen 89:7