1Houd den arts te vriend, voordat ge hem nodig hebt; Want ook hij is door God geschapen.stylus2Van God heeft de arts zijn kennis, Van den koning zelfs krijgt hij geschenken.stylusEzechiël 39:1, Ezechiël 39:1, Ezechiël 27:13, Ezechiël 38:3, Genesis 10:23De geneesheer wordt om zijn kennis geëerd, En staat voor vorsten als hun gelijke.stylusEzechiël 13:8, Ezechiël 13:8, Ezechiël 35:3, Ezechiël 29:3, Ezechiël 39:14God doet uit de aarde artsenijen ontspruiten; Een verstandig mens veracht ze dus niet.stylusEzechiël 29:4, Daniël 11:40, Ezechiël 29:4, Daniël 11:40, 2 Koningen 19:285Werd het water niet zoet door het hout, Opdat iedereen zijn kracht zou kennen?stylusEzechiël 27:10, Ezechiël 27:10, Genesis 10:6, Genesis 10:6, Ezechiël 30:56Zo gaf Hij ook aan de mensen kennis, Om door haar kracht beroemd te worden.stylusGenesis 10:2, Genesis 10:3, Ezechiël 27:14, Genesis 10:2, Genesis 10:37Door haar stilt de geneesheer de smart, Bereidt de apotheker balsem;stylus2 Kronieken 25:8, 2 Kronieken 25:8, Joël 3:9, Joël 3:12, Joël 3:98Opdat Gods werk niet zou verdwijnen, De genezing niet van het aanschijn der aarde.stylusJesaja 24:22, Ezechiël 38:16, Jesaja 24:22, Ezechiël 38:16, Ezechiël 38:119Mijn zoon, maak u bij ziekte niet ongerust; Maar bid tot God, want Hij geneest.stylusJesaja 28:2, Jeremia 4:13, Jesaja 28:2, Jeremia 4:13, Joël 2:210Vlucht de zonde, volbreng het goede, En reinig uw hart van alle kwaad;stylusMicha 2:1, Psalmen 36:4, Micha 2:1, Psalmen 36:4, Handelingen 5:911Breng een wierookoffer van zoete geur, En offer vet, zoveel ge kunt.stylusZacharia 2:4, Zacharia 2:5, Zacharia 2:4, Zacharia 2:5, Ezechiël 38:812Doch maak ook plaats voor den arts, Stoot hem niet af, want ge hebt hem nodig;stylusEzechiël 38:8, Ezechiël 29:19, Jesaja 10:6, Ezechiël 38:8, Ezechiël 29:1913Ja, er komt een tijd, dat zijn hand alleen nog kan redden.stylusEzechiël 27:15, Ezechiël 27:15, Ezechiël 32:2, Ezechiël 27:22, Ezechiël 27:2314Want ook hij bidt tot God, Dat Hij zijn onderzoek doet slagen En de genezing, tot behoud van het leven.stylusZacharia 2:5, Ezechiël 38:8, Zacharia 2:5, Ezechiël 38:8, Ezechiël 38:1115Wie zondigt voor het aanschijn van zijn Schepper, Valt in de handen van den arts.stylusEzechiël 39:2, Ezechiël 39:2, Ezechiël 38:6, Ezechiël 38:6, Openbaring 20:816Mijn zoon, stort tranen over een dode, Rouw en hef een klaagzang aan; Begraaf zijn lijk, zoals het betaamt, En trek u niet terug bij zijn dood.stylusEzechiël 39:21, Ezechiël 38:23, Ezechiël 39:21, Ezechiël 38:23, Hosea 3:517Treur, mijn zoon, zing uw klaagzang uit, En rouw over hem, zoals het behoort: Eén dag, twee dagen zelfs ter voorkoming van opspraak, Maar getroost u dan in uw smart.stylusDaniël 11:40, Daniël 11:45, Daniël 11:40, Daniël 11:45, Jesaja 63:118Droefheid immers kan slechts schaden, Want treurigheid ondermijnt de kracht.stylusEzechiël 36:5, Ezechiël 36:6, Ezechiël 36:5, Ezechiël 36:6, Psalmen 89:4619Is de dode begraven, dan wijke de smart; Want het leven van een bedroefde is een vloek.stylusHaggaï 2:6, Haggaï 2:7, Haggaï 2:6, Haggaï 2:7, Joël 3:1620Laat uw hart zich niet langer aan hem hechten; Denk niet meer aan hem, maar denk aan uw einde.stylusHosea 4:3, Hosea 4:3, Nahum 1:4, Nahum 1:6, Nahum 1:421Gedenk hem niet meer, want voor hem geen hoop! Hem brengt ge geen nut, en uzelf doet ge schade.stylusHaggaï 2:22, Haggaï 2:22, Richteren 7:22, Ezechiël 14:17, Richteren 7:2222Bedenk, dat zijn lot ook het uwe zal zijn: Gisteren hem en heden u.stylusPsalmen 11:6, Openbaring 16:21, Psalmen 11:6, Openbaring 16:21, Ezechiël 13:1123Als de dode rust, moet ook zijn aandenken rusten; Als zijn ziel is verscheiden, moet ge u troosten.stylusPsalmen 9:16, Psalmen 9:16, Ezechiël 38:16, Openbaring 19:1, Openbaring 19:624De wijsheid van den schriftgeleerde moet steeds groeien; Slechts wie vrij is van zaken, kan kennis verwerven.stylus25Hoe zou wijs kunnen worden, wie de ploeg hanteert, En trots de drijversstok zwaait als een lans; Die de koeien uitdrijft en schreeuwend ze terugleidt, En alleen maar kan praten met kalven:stylus26Hij wijdt zijn hart aan het eggen der vorens. Zijn zorg aan het mesten van de stal.stylus27Zo ook iedere arbeider en ambachtsman, Die dag en nacht hun werk verrichten,stylus28Zo ook de smid, die bij zijn aambeeld hurkt, En vol aandacht het ruwe ijzer bekijkt; De rook van het vuur verschrompelt zijn vlees, Hij vecht tegen de gloed van de oven; Het slaan van de hamer verdooft hem de oren, Zijn ogen zijn op het model gericht: Hij wijdt zijn hart aan de voltooiing van zijn werk, Zijn zorg aan het polijsten, als het gereed is.stylus29Zo ook de pottenbakker, die bij zijn werk gezeten, Met zijn voeten de draaischijf beweegt; Die steeds bekommerd is om zijn bedrijf, En altijd zwoegt om een groot getal.stylus30Hij geeft met zijn arm een vorm aan de klei, En kneedt met zijn voeten haar stugheid: Hij wijdt zijn hart aan het beste glazuur, Zijn zorg aan het bakken in de oven.stylus31Zij allen vertrouwen op hun handen, En ieder is wijs in zijn eigen werk;stylus32Zonder hen wordt er geen stad gebouwd, En kan men wonen, noch reizen.stylus33Maar in de vergadering zijn ze niet in tel, En ze zitten niet op de stoel van den rechter; Want van wet en oordeel hebben ze geen verstand,stylus34En wijsheidsspreuken kennen ze niet. Maar enkel wereldse zaken verzorgen, En al hun aandacht besteden aan hun vak. Ze snijden figuren op zegelringen, En weven steeds maar wisselende kleuren: Hij wijdt zijn hart aan de gelijkenis der beelden, Zijn zorg aan het voltooien van zijn werk.stylus35stylus36stylus37stylus38stylus39stylus