1Wie barmhartig is, leent zijn naaste; En wie hem steunt, onderhoudt de geboden.stylusEzechiël 26:1, Ezechiël 29:17, Ezechiël 26:1, Ezechiël 29:17, Ezechiël 20:12Leen den naaste, als hij in nood is; Maar van uw kant, geef het den naaste op tijd ook terug.stylusEzechiël 6:2, Ezechiël 6:2, Jeremia 44:30, Jeremia 46:2, Jeremia 46:163Houd uw woord, en behandel hem eerlijk; En steeds zult ge krijgen, wat ge nodig hebt.stylusEzechiël 32:2, Jesaja 27:1, Ezechiël 32:2, Jesaja 27:1, Jeremia 44:304Velen beschouwen het geleende als een vondst; Zo brengen ze hun helpers in last.stylusEzechiël 38:4, 2 Koningen 19:28, Ezechiël 38:4, 2 Koningen 19:28, Jesaja 37:295Men kust iemands hand, totdat men ontvangt, En wegens zijn geld spreekt men heel bescheiden; Maar als men moet teruggeven, stelt men uit, Betaalt met klachten en geeft de schuld aan de tijd.stylusJeremia 34:20, Jeremia 8:2, Jeremia 7:33, Ezechiël 32:4, Ezechiël 32:66Kan men betalen, men geeft nauwelijks de helft, En beschouwt dat nog als een vondst; Kan men het niet, dan berooft men hem van zijn geld, En wordt hem vijandig zonder enige grond. Met vloeken en schelden betaalt men hem terug, Met schimpen inplaats van te eren;stylusJesaja 36:6, 2 Koningen 18:21, Jesaja 36:6, 2 Koningen 18:21, Ezechiël 28:227Juist om die boosheid keren velen zich af: Zij duchten, zo maar te worden beroofd.stylusEzechiël 17:15, Ezechiël 17:17, Jesaja 36:6, Ezechiël 17:15, Ezechiël 17:178Toch moet ge grootmoedig zijn jegens den arme, En hem niet laten wachten op hulp.stylusEzechiël 14:17, Ezechiël 14:17, Ezechiël 32:10, Ezechiël 32:13, Ezechiël 29:199Ontferm u over den naaste, want het is u geboden; Zend hem niet ledig weg in zijn nood.stylusEzechiël 29:3, Ezechiël 29:3, Ezechiël 29:10, Ezechiël 29:12, Spreuken 16:1810Besteed liever uw geld voor een broer of een vriend, Dan het onder een steen te verstoppen en te verliezen.stylusEzechiël 30:12, Ezechiël 30:12, Exodus 14:2, Ezechiël 30:6, Ezechiël 30:911Beleg uw schat, zoals de Allerhoogste het beveelt, En hij zal u meer baten dan goud.stylusEzechiël 32:13, Ezechiël 32:13, Jeremia 43:11, Jeremia 43:12, Jeremia 43:1112Sluit werken van naastenliefde in uw schatkamers op, Want ze zullen u bevrijden van alle kwaad;stylusJeremia 46:19, Ezechiël 30:7, Ezechiël 30:23, Jeremia 46:19, Ezechiël 30:713Beter dan een machtig schild en een sterke lans Zullen ze voor u strijden tegen den vijand.stylusJesaja 19:22, Jeremia 46:26, Jesaja 19:22, Jeremia 46:2614Een goed mens blijft borg voor zijn naaste; Slechts wie geen schaamte kent, laat hem in de steek.stylusEzechiël 30:14, Ezechiël 30:14, Jesaja 11:11, Jesaja 11:11, Jeremia 44:115Vergeet niet de weldaad van uw borg; Want hij zette zichzelf voor u op het spel.stylusZacharia 10:11, Ezechiël 30:13, Zacharia 10:11, Ezechiël 30:13, Nahum 3:816De zondaar vergeet de goedheid van zijn borg; Ondankbaar laat hij zijn redder in de steek.stylusHosea 8:13, Ezechiël 29:6, Ezechiël 29:7, Jesaja 20:5, Hosea 8:1317Het borgen heeft vele welgestelden te gronde gericht, Ze heen en weer geslingerd als de golven der zee;stylusEzechiël 29:1, Ezechiël 29:1, Ezechiël 1:2, Ezechiël 24:1, Ezechiël 1:218Het heeft mannen van aanzien uit hun bezit verdreven, En ze tot zwervers gemaakt onder vreemde volken.stylusJeremia 27:6, Jeremia 27:6, Jeremia 25:9, Ezechiël 26:7, Ezechiël 26:1219De zondaar komt door borgstelling ten val, En wie zich met alles bemoeit, vervalt in processen.stylusJeremia 43:10, Jeremia 43:13, Jeremia 43:10, Jeremia 43:13, Ezechiël 30:2420Help dus den naaste naar uw vermogen; Maar let op uzelf, dat ge er niet inloopt.stylusJeremia 25:9, Jesaja 10:6, Jesaja 10:7, Jeremia 25:9, Jesaja 10:621De eerste behoefte van het leven is water en brood, En kleding en woning tot bedekking der schaamte.stylus1 Samuël 2:10, 1 Samuël 2:10, Psalmen 132:17, Lucas 21:15, Psalmen 132:1722Beter arm te leven onder de schutse van zijn dak, Dan heerlijke spijzen bij vreemden.stylus23Met weinig of veel, blijf tevreden; Dan verwijt men u niet, dat ge vreemdeling zijt.stylus24Een ellendig leven: van huis tot huis; Want waar ge gast zijt, kunt ge niet vrijuit spreken.stylus25Ge geeft te eten en te drinken in ondank, En daarbij moet ge nog beledigingen horen:stylus26“Kom binnen, vreemdeling; bereid de dis, Hebt ge iets meegebracht, geef mij te eten.”stylus27“Ga heen, vreemdeling, ik kan u niet hebben; Mijn broeder komt bij me; ik heb de ontvangkamer nodig.”stylus28Hard zijn die dingen voor een man met verstand: Men verwijt u uw afkomst en scheldt u woekeraar.stylus29stylus30stylus31stylus32stylus33stylus34stylus35stylus