Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Sirach Hoofdstuk 29

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
SIRACH

Sirach 29

1Wie barmhartig is, leent zijn naaste; En wie hem steunt, onderhoudt de geboden.
Ezechiël 26:1, Ezechiël 29:17, Ezechiël 26:1, Ezechiël 29:17, Ezechiël 20:1
2Leen den naaste, als hij in nood is; Maar van uw kant, geef het den naaste op tijd ook terug.
Ezechiël 6:2, Ezechiël 6:2, Jeremia 44:30, Jeremia 46:2, Jeremia 46:16
3Houd uw woord, en behandel hem eerlijk; En steeds zult ge krijgen, wat ge nodig hebt.
Ezechiël 32:2, Jesaja 27:1, Ezechiël 32:2, Jesaja 27:1, Jeremia 44:30
4Velen beschouwen het geleende als een vondst; Zo brengen ze hun helpers in last.
Ezechiël 38:4, 2 Koningen 19:28, Ezechiël 38:4, 2 Koningen 19:28, Jesaja 37:29
5Men kust iemands hand, totdat men ontvangt, En wegens zijn geld spreekt men heel bescheiden; Maar als men moet teruggeven, stelt men uit, Betaalt met klachten en geeft de schuld aan de tijd.
Jeremia 34:20, Jeremia 8:2, Jeremia 7:33, Ezechiël 32:4, Ezechiël 32:6
6Kan men betalen, men geeft nauwelijks de helft, En beschouwt dat nog als een vondst; Kan men het niet, dan berooft men hem van zijn geld, En wordt hem vijandig zonder enige grond. Met vloeken en schelden betaalt men hem terug, Met schimpen inplaats van te eren;
Jesaja 36:6, 2 Koningen 18:21, Jesaja 36:6, 2 Koningen 18:21, Ezechiël 28:22
7Juist om die boosheid keren velen zich af: Zij duchten, zo maar te worden beroofd.
Ezechiël 17:15, Ezechiël 17:17, Jesaja 36:6, Ezechiël 17:15, Ezechiël 17:17
8Toch moet ge grootmoedig zijn jegens den arme, En hem niet laten wachten op hulp.
Ezechiël 14:17, Ezechiël 14:17, Ezechiël 32:10, Ezechiël 32:13, Ezechiël 29:19
9Ontferm u over den naaste, want het is u geboden; Zend hem niet ledig weg in zijn nood.
Ezechiël 29:3, Ezechiël 29:3, Ezechiël 29:10, Ezechiël 29:12, Spreuken 16:18
10Besteed liever uw geld voor een broer of een vriend, Dan het onder een steen te verstoppen en te verliezen.
Ezechiël 30:12, Ezechiël 30:12, Exodus 14:2, Ezechiël 30:6, Ezechiël 30:9
11Beleg uw schat, zoals de Allerhoogste het beveelt, En hij zal u meer baten dan goud.
Ezechiël 32:13, Ezechiël 32:13, Jeremia 43:11, Jeremia 43:12, Jeremia 43:11
12Sluit werken van naastenliefde in uw schatkamers op, Want ze zullen u bevrijden van alle kwaad;
Jeremia 46:19, Ezechiël 30:7, Ezechiël 30:23, Jeremia 46:19, Ezechiël 30:7
13Beter dan een machtig schild en een sterke lans Zullen ze voor u strijden tegen den vijand.
Jesaja 19:22, Jeremia 46:26, Jesaja 19:22, Jeremia 46:26
14Een goed mens blijft borg voor zijn naaste; Slechts wie geen schaamte kent, laat hem in de steek.
Ezechiël 30:14, Ezechiël 30:14, Jesaja 11:11, Jesaja 11:11, Jeremia 44:1
15Vergeet niet de weldaad van uw borg; Want hij zette zichzelf voor u op het spel.
Zacharia 10:11, Ezechiël 30:13, Zacharia 10:11, Ezechiël 30:13, Nahum 3:8
16De zondaar vergeet de goedheid van zijn borg; Ondankbaar laat hij zijn redder in de steek.
Hosea 8:13, Ezechiël 29:6, Ezechiël 29:7, Jesaja 20:5, Hosea 8:13
17Het borgen heeft vele welgestelden te gronde gericht, Ze heen en weer geslingerd als de golven der zee;
Ezechiël 29:1, Ezechiël 29:1, Ezechiël 1:2, Ezechiël 24:1, Ezechiël 1:2
18Het heeft mannen van aanzien uit hun bezit verdreven, En ze tot zwervers gemaakt onder vreemde volken.
Jeremia 27:6, Jeremia 27:6, Jeremia 25:9, Ezechiël 26:7, Ezechiël 26:12
19De zondaar komt door borgstelling ten val, En wie zich met alles bemoeit, vervalt in processen.
Jeremia 43:10, Jeremia 43:13, Jeremia 43:10, Jeremia 43:13, Ezechiël 30:24
20Help dus den naaste naar uw vermogen; Maar let op uzelf, dat ge er niet inloopt.
Jeremia 25:9, Jesaja 10:6, Jesaja 10:7, Jeremia 25:9, Jesaja 10:6
21De eerste behoefte van het leven is water en brood, En kleding en woning tot bedekking der schaamte.
1 Samuël 2:10, 1 Samuël 2:10, Psalmen 132:17, Lucas 21:15, Psalmen 132:17
22Beter arm te leven onder de schutse van zijn dak, Dan heerlijke spijzen bij vreemden.
23Met weinig of veel, blijf tevreden; Dan verwijt men u niet, dat ge vreemdeling zijt.
24Een ellendig leven: van huis tot huis; Want waar ge gast zijt, kunt ge niet vrijuit spreken.
25Ge geeft te eten en te drinken in ondank, En daarbij moet ge nog beledigingen horen:
26“Kom binnen, vreemdeling; bereid de dis, Hebt ge iets meegebracht, geef mij te eten.”
27“Ga heen, vreemdeling, ik kan u niet hebben; Mijn broeder komt bij me; ik heb de ontvangkamer nodig.”
28Hard zijn die dingen voor een man met verstand: Men verwijt u uw afkomst en scheldt u woekeraar.
29
30
31
32
33
34
35

Andere Boeken

SirachJesajaJeremia+

Andere Boeken

SirachHfst. 29
JesajaJeremiaKlaagliederenBaruchEzechiël
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward