1Gelukkig de mens dus, wiens mond hem niet aanklaagt, En wiens hart geen beschuldiging tegen hem uit;stylusEzechiël 8:1, Ezechiël 8:1, Ezechiël 20:1, Ezechiël 20:1, Ezechiël 33:312Gelukkig de mens, wiens geweten geen verwijten doet, Want zijn hoop zal nimmer vergaan!stylusAmos 3:7, Amos 3:7, 1 Koningen 14:4, 1 Koningen 14:43Een gierig mens heeft niets aan rijkdom, En een vrek is met goud niet gebaat.stylusEzechiël 14:7, Ezechiël 14:7, Ezechiël 7:19, Ezechiël 7:19, Jesaja 1:154Wie zich zelf te kort doet, spaart voor anderen, En vreemden genieten van zijn goed.stylusJesaja 66:4, Ezechiël 14:7, Jesaja 66:4, Ezechiël 14:7, Jesaja 3:115Wie zichzelf niets gunt, is voor niemand goed; Maar ook zelf geniet hij niet van zijn bezit.stylusJesaja 1:4, Jesaja 1:4, Zacharia 11:8, Zacharia 11:8, Romeinen 1:306Wie slecht is voor zichzelf, geen slechter dan hij; Maar hij wordt ook beloond voor zijn slechtheid!stylusEzechiël 18:30, Ezechiël 18:30, Jesaja 2:20, Jesaja 30:22, Jesaja 2:207Doet hij soms goed, het is bij vergissing; Want tenslotte komt zijn ondeugd uit.stylusExodus 12:48, Exodus 12:48, Jesaja 58:1, Jesaja 58:2, Jesaja 58:18Slecht is de mens met hebzuchtige blik; Hij wendt het gelaat af en bekommert zich om niemand,stylusEzechiël 15:7, Ezechiël 15:7, Ezechiël 5:15, Jeremia 44:11, Ezechiël 5:159Het oog van den vrek heeft aan zijn bezit niet genoeg, En het afgunstig oog mergelt hem uit.stylusJeremia 4:10, Ezechiël 20:25, Jeremia 4:10, Ezechiël 20:25, Jesaja 66:410Het gierig oog ziet uit naar spijzen, Want niets staat er op zijn tafel; Maar een goed mens heeft spijs genoeg, Zelfs uit een droge bron stroomt water op tafel.stylusEzechiël 23:49, Ezechiël 23:49, Ezechiël 17:18, Ezechiël 17:20, Genesis 4:1311Mijn zoon, zo ge wat hebt, doe uzelf dan te goed, En geniet ervan naar vermogen;stylusEzechiël 37:23, Ezechiël 37:23, Ezechiël 48:11, Ezechiël 44:10, Ezechiël 48:1112Denk er aan, dat de dood niet draalt, Dat de tijd, die u rest, u niet wordt gemeld.stylus13Voordat ge sterft, doe wel aan uw naaste, Geef hem, zoveel ge maar kunt;stylusLeviticus 26:26, Ezechiël 4:16, Leviticus 26:26, Ezechiël 4:16, Ezechiël 15:814Maar ontzeg ook uzelf geen gelukkige dag, Laat uw deel van het genot u niet ontsnappen.stylusJeremia 15:1, Ezechiël 14:20, Jeremia 15:1, Ezechiël 14:20, Ezechiël 28:315Moet ge niet uw bezit aan anderen achterlaten; Zullen zij uw vermogen niet verdelen door het lot?stylusEzechiël 5:17, Leviticus 26:22, Ezechiël 5:17, Leviticus 26:22, Jeremia 15:316Geef dus uw naaste, en vertroetel uzelf, Want in het dodenrijk is geen vreugde meer te vinden;stylusGenesis 19:29, Genesis 19:29, Jakobus 5:16, Ezechiël 33:11, Job 22:2017Alle vlees wordt oud als een kleed, Want van ouds luidt de wet: Het moet sterven!stylusLeviticus 26:25, Ezechiël 21:3, Ezechiël 21:4, Leviticus 26:25, Ezechiël 21:318Zoals de bloesem ontspruit aan de groene boom, En het ene verwelkt, als het andere ontluikt, Zo ook het geslacht van vlees en bloed: Het ene sterft uit, het andere komt op;stylus19Al zijn werken zullen vergaan, Want het werk van zijn handen komt achter hem aan.stylusEzechiël 38:22, Ezechiël 38:22, Ezechiël 7:8, 2 Samuël 24:15, Jeremia 14:1220Vierde reeks. De wijsheid en de zonde der mensen. Inleiding. De vruchten der wijsheid. Gelukkig de mens, die bedacht is op wijsheid, En naarstig zich toelegt op inzicht;stylusEzechiël 14:14, Ezechiël 14:14, Handelingen 10:35, Psalmen 33:18, Psalmen 33:1921Die zijn hart er op zet, haar wegen te kennen, En inzicht te krijgen in haar geheimen;stylusEzechiël 33:27, Ezechiël 5:17, Ezechiël 33:27, Ezechiël 5:17, Ezechiël 14:1522Die haar achtervolgt, als was hij een verspieder, En al haar wegen beloert;stylusEzechiël 12:16, Ezechiël 12:16, Ezechiël 20:43, Ezechiël 20:43, Hebreeën 12:623Die door haar venster naar binnen gluurt, En luistervink speelt aan haar deur;stylusJeremia 22:8, Jeremia 22:9, Jeremia 22:8, Jeremia 22:9, Daniël 9:724Die rond haar huis zijn verblijfplaats zoekt, En zijn tentpin in haar muren drijft;stylus25Die aan haar zijde zijn tent opslaat, En daar een goede woning vindt;stylus26Die zijn nest in haar lover bouwt, En op haar takken verpoost;stylus27Die in haar schaduw zich tegen de hitte beschut, En een schuilhoek vindt om te wonen.stylus