1Als ge wel doet, let dan op aan wien, Opdat ge van uw weldadigheid loon moogt verwachten.stylus2Doe wel aan den rechtvaardige: dan wordt ge beloond; Zo niet door hem, dan tenminste door Jahweh.stylusJeremia 5:21, Marcus 4:12, Jeremia 5:21, Marcus 4:12, Psalmen 78:403Maar de weldoener van bozen wordt niet beloond; Hij doet er immers geen goed werk mee.stylusJeremia 36:3, Jeremia 36:3, 2 Timotheüs 2:25, Jeremia 26:3, 2 Timotheüs 2:254Geef den goede, maar weiger den boze;stylusJeremia 39:4, Jeremia 39:4, Ezechiël 12:12, 2 Koningen 25:4, Ezechiël 12:125Verkwik den kleine, en geef niet aan den trotse. Geef hem geen wapens in de hand: Hij zou er mee tegen u strijden;stylusJeremia 39:2, Jeremia 39:4, 2 Koningen 25:4, Jeremia 39:2, Jeremia 39:46Want ook God haat de bozen, En oefent vergelding aan de slechten.stylusEzechiël 4:3, Ezechiël 4:3, Jesaja 8:18, Ezechiël 24:24, Jesaja 8:187Dubbel treft u de boze ten tijde van nood, Voor al het goede, dat ge hem deedt.stylusEzechiël 24:18, Ezechiël 24:18, Ezechiël 37:7, Ezechiël 37:10, Ezechiël 37:78Een vriend kan men niet erkennen bij voorspoed; Maar bij ongeluk verbergt de vijand zich niet.stylus9Als het goed gaat, is ook de vijand een vriend; Maar bij ongeluk gaat de vriend zelfs lopen.stylusEzechiël 24:19, Ezechiël 17:12, Ezechiël 24:19, Ezechiël 17:12, Ezechiël 20:4910Vertrouw dus nooit op een vijand, Want als ijzerroest zit hij vol boosheid;stylus2 Koningen 9:25, Jesaja 13:1, 2 Koningen 9:25, Jesaja 13:1, Jesaja 14:2811Al luistert hij naar u nog zo gedwee, Blijf zorgvuldig voor hem op uw hoede. Wees voor hem als iemand, die een spiegel poetst, Begrijp, dat men nooit zeker is tegen roest.stylusJeremia 52:15, Jeremia 15:2, Jeremia 52:15, Jeremia 15:2, Jeremia 52:2812Geef hem geen plaats aan uw zijde; Anders jaagt hij u op en neemt uw plaats in beslag. Zet hem niet aan uw rechterhand, Opdat hij niet uw zetel bezet; Dan zoudt ge ten slotte mijn woord begrijpen, En moeten instemmen met mijn klachten.stylus2 Koningen 25:4, Jeremia 39:4, 2 Koningen 25:4, Jeremia 39:4, Ezechiël 12:613Wie beklaagt een slangenbezweerder, die wordt gebeten, Of allen, die zich bij wilde beesten wagen?stylusHosea 7:12, Ezechiël 17:20, Jeremia 39:7, Hosea 7:12, Ezechiël 17:2014Evenmin hem, die met een hoogmoedige omgaat, En zich in diens zonde verstrikt.stylusEzechiël 5:2, Ezechiël 5:2, Ezechiël 17:21, 2 Koningen 25:4, 2 Koningen 25:515Een tijdlang blijft hij, zonder zich te doen kennen, Maar als ge gaat wankelen, houdt hij het niet uit.stylusEzechiël 6:7, Ezechiël 6:7, Ezechiël 6:14, Ezechiël 12:16, Ezechiël 12:2016Met zijn lippen is de vijand wel vriendelijk, Maar in zijn hart graaft hij diepe kuilen;stylusEzechiël 14:22, Ezechiël 14:23, Ezechiël 6:8, Ezechiël 6:10, Jeremia 22:817Met zijn ogen weet de vijand te wenen, Maar ziet hij de kans, hij wordt niet zat van uw bloed.stylus18Treft u een ongeluk, dan is hij aanwezig, Als wilde hij helpen, maar hij belaagt uw hiel; Dan schudt hij het hoofd en klapt in de handen, En vertrekt zijn gezicht tot een grijns.stylusKlaagliederen 5:9, Klaagliederen 5:9, Psalmen 60:2, Psalmen 60:3, Leviticus 26:2619stylusZacharia 7:14, Zacharia 7:14, Micha 7:13, Ezechiël 6:14, Ezechiël 6:6