1Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid;stylusSefanja 3:19, Sefanja 3:20, Sefanja 3:19, Sefanja 3:20, Jeremia 30:32Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in;stylusZacharia 14:2, Zacharia 14:4, Zacharia 14:2, Zacharia 14:4, Sefanja 3:83Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw.stylusNahum 3:10, Nahum 3:10, Amos 2:6, Obadja 1:11, Amos 2:64Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken;stylusJesaja 34:8, Jeremia 47:4, Amos 1:6, Amos 1:10, Jesaja 59:185Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer;stylus2 Kronieken 21:16, 2 Kronieken 21:17, 2 Kronieken 21:16, 2 Kronieken 21:17, 2 Koningen 12:186Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden.stylusEzechiël 27:13, Ezechiël 27:13, Joël 3:3, Joël 3:3, Joël 3:87Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens;stylusJesaja 43:5, Jesaja 43:6, Jesaja 43:5, Jesaja 43:6, Jeremia 23:88Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken;stylusJesaja 60:14, Jesaja 60:14, Job 1:15, Job 1:15, Richteren 2:149Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden.stylusJeremia 46:3, Jeremia 46:4, Ezechiël 38:7, Jesaja 8:9, Jesaja 8:1010Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt;stylusZacharia 12:8, Zacharia 12:8, 2 Kronieken 25:8, 2 Kronieken 25:8, Jesaja 2:411Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf;stylusJesaja 13:3, Jesaja 13:3, Sefanja 3:8, Sefanja 3:8, Joël 3:212Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl.stylusJoël 3:2, Joël 3:2, Jesaja 3:13, Jesaja 2:4, Psalmen 98:913Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker.stylusOpenbaring 14:15, Openbaring 14:20, Openbaring 14:15, Openbaring 14:20, Marcus 4:2914Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald.stylusJoël 3:2, Filippenzen 3:2, Openbaring 19:19, Openbaring 19:21, Jesaja 34:215Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt.stylusJoël 2:10, Joël 2:10, Joël 2:31, Lucas 21:25, Lucas 21:2616Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd;stylusAmos 1:2, Joël 2:10, Joël 2:11, Amos 1:2, Joël 2:1017De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.stylusJoël 2:27, Joël 2:27, Jesaja 52:1, Nahum 1:15, Jesaja 52:118Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh!stylusZacharia 14:8, Openbaring 22:1, Openbaring 22:2, Zacharia 14:8, Openbaring 22:119Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal!stylusJesaja 19:1, Jesaja 19:15, Jesaja 19:1, Jesaja 19:15, Zacharia 14:1820Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt:stylusEzechiël 37:25, Ezechiël 37:25, Amos 9:15, Amos 9:15, Jesaja 33:2021Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen!stylusEzechiël 36:25, Jesaja 4:4, Openbaring 21:3, Ezechiël 36:25, Jesaja 4:422Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op:stylus23Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw.stylus24Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem!stylus25Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt;stylus26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;stylus27Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af!stylus28Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt;stylus29Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop;stylus30Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad.stylus31Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen!stylus32Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming:stylus33Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen!stylus34Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen:stylus35Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste:stylus36Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien?stylus37Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden?stylus38Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed?stylus39Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde!stylus40Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren;stylus41Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel!stylus42Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!stylus43Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood;stylus44U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon;stylus45Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken.stylus46Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn;stylus47Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling;stylus48Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk.stylus49Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing,stylus50Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet.stylus51Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad.stylus52Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn;stylus53Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na;stylus54Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren!stylus55Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put!stylus56Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien;stylus57Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang!stylus58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!stylus59Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft;stylus60Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij.stylus61Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij.stylus62Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht.stylus63Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen!stylus64Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen!stylus65Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek;stylus66Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!stylus