Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Klaagliederen Hoofdstuk 2

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
KLAAGLIEDEREN

Klaagliederen 2

1Wee, hoe heeft de Heer in zijn toorn. Donkere wolken over de dochter van Sion samengepakt; Hoe heeft Hij uit de hemel ter aarde geworpen Israëls glorie; Zijn voetbank niet langer bedacht. Op de dag van zijn gramschap?
1 Petrus 4:7, Joël 2:15, 1 Petrus 4:7, Joël 2:15, Joël 1:15
2De Heer heeft zonder erbarmen Alle dreven van Jakob vernield; Gesloopt in zijn woede De vesten der dochter van Juda; Onteerd en ter aarde geworpen Haar koning en vorsten!
Joël 1:6, Joël 1:6, Sefanja 1:14, Sefanja 1:15, Sefanja 1:14
3In zijn grimmige toorn brak Hij Alle hoornen van Israël stuk; Trok zijn rechterhand terug, Toen de vijand verscheen; Woedde in Jakob als een laaiend vuur, Dat aan alle kanten verslindt.
Jesaja 51:3, Jesaja 51:3, Genesis 2:8, Genesis 2:8, Joël 1:19
4Als een vijand heeft Hij zijn boog gespannen, Zijn rechter gebald als een vechter, Vermoord al de lust voor de ogen In de tent van de dochter van Sion, Zijn verbolgenheid uitgestort Als een vuur.
Openbaring 9:7, Openbaring 9:7
5Ja, de Heer is een vijand geworden, Die Israël verslond; Hij heeft al zijn burchten vernield, Zijn vesten gesloopt; De dochter van Juda vervuld Met kreunen en steunen.
Openbaring 9:9, Openbaring 9:9, Jesaja 5:24, Jesaja 5:24, Jesaja 30:30
6Jahweh haalde zijn tent als een tuinmuur omver, En vernielde zijn heilige plaats; Gaf in Sion aan de vergetelheid prijs Hoogtij en sabbat; En in zijn grimmige toorn versmaadde Hij Koning en priester.
Nahum 2:10, Nahum 2:10, Jesaja 13:8, Jesaja 13:8, Jeremia 30:6
7Jahweh verstiet zijn altaar, En ontwijdde zijn heiligdom; Liet in de macht van den vijand De wal van zijn vesting: Men schreeuwde in Jahweh’s huis, Of het feestdag was.
Spreuken 30:27, Spreuken 30:27, 2 Samuël 5:8, 2 Samuël 1:23, Joël 2:9
8Jahweh had besloten, de muur te vernielen Van de dochter van Sion; Hij had het meetsnoer gespannen, trok zijn hand niet meer terug Van het werk der verwoesting. De wal en de muur liet Hij treuren, Te zamen kwijnden zij weg.
Job 33:18, 2 Kronieken 32:5, Job 33:18, 2 Kronieken 32:5, Nehemia 4:17
9Haar poorten liggen op de grond, Haar grendels heeft Hij vernield en verbroken! Haar koning en vorsten zijn onder de heidenen: Geen wet is er meer; Ook haar profeten moeten De visioenen van Jahweh ontberen.
Jeremia 9:21, Jeremia 9:21, Johannes 10:1, Johannes 10:1, Exodus 10:6
10Sprakeloos zitten ze op de grond De oudsten der dochter van Sion; Ze hebben as op hun hoofd gestrooid, Met een zak zich omgord; Het hoofd ter aarde gebogen De dochters van Jerusalem.
Mattheüs 24:29, Jesaja 13:10, Mattheüs 24:29, Jesaja 13:10, Joël 3:15
11Mijn ogen vervloeien in tranen, Het stormt in mijn borst; Mijn lever vliedt weg op de grond Om de val van de dochter van mijn volk, Om het versmachten van kinderen en zuigelingen In de straten der stad.
Maleachi 3:2, Maleachi 3:2, Nahum 1:6, Nahum 1:6, Openbaring 6:17
12Ze vragen hun moeders: Waar is koren en wijn? In onmacht zinken ze neer In de straten der stad, Of geven de geest Op de schoot van hun moeders.
Jakobus 4:8, Jakobus 4:9, Jakobus 4:8, Jakobus 4:9, Jesaja 55:6
13Wat zal ik u raden, voor u bedenken, Dochter van Jerusalem; Waarmee u helpen, waarmee u troosten, Jonkvrouw, dochter van Sion: Want onmetelijk als de zee is uw jammer, Wie kan u genezen?
Psalmen 86:15, Psalmen 86:15, Psalmen 34:18, Psalmen 34:18, Exodus 34:6
14Uw profeten schouwden voor u Enkel leugen en waan; Ze hebben u uw schuld niet getoond, Om u te bekeren; Neen, ze hebben voor u visioenen geschouwd Vol bedrog en misleiding.
Jona 3:9, Jona 3:9, Haggaï 2:19, Haggaï 2:19, Joël 1:13
15Ze klappen in de handen, Allen, die u voorbijgaan; Ze grijnzen en schudden meewarig het hoofd Over de dochter van Jerusalem: Is dat nu de stad, die het toppunt van schoonheid moest heten, De wellust van de hele aarde?
Joël 1:14, Joël 1:14, Joël 2:1, Joël 2:1, 1 Koningen 21:12
16Ze sperren de muil tegen u op Allen, die uw vijanden zijn; Ze grijnzen en knersen de tanden, En schreeuwen: Wij hebben ze vernield! Dit is de dag, waarop wij hadden gehoopt; Wij hebben hem mogen beleven en zien!
2 Kronieken 29:5, 2 Kronieken 29:5, 2 Kronieken 20:13, 2 Kronieken 20:13, 1 Korintiërs 7:5
17Zo heeft Jahweh zijn plannen ten uitvoer gebracht, Zijn woord in vervulling doen gaan, Waarmee Hij van ouds had gedreigd: Zonder ontferming heeft Hij gesloopt, Over u den vijand doen juichen, De hoorn van uw bestrijder verhoogd!
Ezechiël 8:16, Psalmen 115:2, Psalmen 79:10, Ezechiël 8:16, Psalmen 115:2
18Roep toch met heel uw hart tot den Heer, Jammer, dochter van Sion; Laat tranen stromen als een beek Overdag en des nachts; Neen, gun u geen rust, Uw schreien houde niet op.
Zacharia 8:2, Zacharia 8:2, Psalmen 103:13, Psalmen 103:13, Zacharia 1:14
19Sta op, en jammer in de nacht, Van het begin van de nachtwaak; Stort uw hart uit als water Voor het aanschijn des Heren; Hef tot Hem uw handen omhoog Voor het leven van uw kinderen!
Ezechiël 34:29, Ezechiël 34:29, Ezechiël 36:15, Ezechiël 36:15, Jeremia 31:12
20Ach Jahweh, blik neer en zie toe: Wien hebt Gij zo iets berokkend? Moeten vrouwen haar eigen vrucht dan verslinden, De wichtjes op haar arm; In het heiligdom van den Heer Priester en profeet worden vermoord?
Zacharia 14:8, Zacharia 14:8, Deuteronomium 11:24, Amos 4:10, Jesaja 34:3
21Ter aarde liggen op straat Knapen en grijsaards, Mijn jonge dochters en mannen Gevallen door het zwaard! Gij hebt ze gedood op de dag van uw gramschap, Ze zonder genade geslacht.
Sefanja 3:16, Sefanja 3:17, Jesaja 41:10, Jesaja 54:4, Sefanja 3:16
22Als voor een feestdag riept Gij van alle kant Mijn landgenoten bijeen; En op de dag van Jahweh’s toorn Was er niet één, die ontkwam en ontsnapte: Die ik had verzorgd en groot gebracht Heeft mijn vijand verdelgd!
Zacharia 8:12, Zacharia 8:12, Psalmen 65:12, Psalmen 65:12, Psalmen 145:15

Andere Boeken

KlaagliederenBaruchEzechiël+

Andere Boeken

KlaagliederenHfst. 2
BaruchEzechiëlDaniëlHoseaJoël
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward