1Maar nu deelde men Holoférnes, den opperbevelhebber van het assyrische leger, mee, dat de Israëlieten hun maatregelen hadden getroffen, om weerstand te bieden en dat zij de bergpassen bezet hielden.stylusJob 15:15, Job 15:15, Job 15:8, Job 15:10, Job 4:182Toen ontstak hij in hevige woede, ontbood alle vorsten en hoofden van Moab en Ammon,stylusPrediker 7:9, Prediker 7:9, Hosea 7:11, Spreuken 12:16, Psalmen 75:43en sprak tot hen: Zegt mij eens, wat is dat voor een volk, dat in de bergen woont; wat voor steden hebben zij, hoe zien die er uit, en hoe groot zijn ze? Hoe groot en hoe sterk is hun leger, en wie is hun aanvoerder?stylusPsalmen 73:18, Psalmen 73:20, Psalmen 73:18, Psalmen 73:20, Psalmen 37:354Waarom zijn ze van alle volken in het westen de enigen, die geweigerd hebben, ons tegemoet te komen en ons in vrede te ontvangen?stylusPsalmen 127:5, Psalmen 127:5, Psalmen 119:155, Psalmen 119:155, Job 1:195Toen antwoordde Achior, het hoofd van alle Ammonieten: Zo ge naar mij wilt luisteren, zal ik u de waarheid zeggen over dit volk, dat in de bergen woont en komt er geen leugen uit mijn mond.stylusKlaagliederen 2:16, Klaagliederen 2:16, Hosea 8:7, Hosea 8:7, Jeremia 51:446Dit volk stamt af van de Chaldeën,stylusJesaja 45:7, Jesaja 45:7, 1 Samuël 6:9, Psalmen 90:7, Hebreeën 12:157en woonde eerst in Mesopotamië. Maar omdat zij de goden van hun voorvaders, die in het land der Chaldeën woonden, niet wilden dienen,stylusJob 14:1, Job 14:1, Genesis 3:17, Genesis 3:19, Genesis 3:178verlieten zij het veelgodendom, de godsdienst van hun voorouders,stylusPsalmen 50:15, Psalmen 50:15, Job 22:21, Job 22:21, Psalmen 37:59en dienden den énen God van de hemel, die hun bevel gaf, het land te verlaten en zich in Kanaän te vestigen. Bij het uitbreken van een hongersnood, die het gehele land teisterde, trokken zij naar Egypte af en groeiden daar, in de loop van vierhonderd jaar, tot zulk een menigte aan, dat hun getal niet meer te berekenen was.stylusPsalmen 40:5, Psalmen 40:5, Job 9:10, Job 9:10, Psalmen 72:1810Maar toen de koning van Egypte hen onderdrukte, en hen als slaven dwong, klei en tichelstenen te maken voor de bouw van hun steden, riepen zij den Heer aan; en Hij sloeg het gehele land van Egypte met verschillende plagen.stylusHandelingen 14:17, Handelingen 14:17, Jeremia 5:24, Jeremia 14:22, Psalmen 147:811Nadat daarom de Egyptenaren hen van zich hadden weggejaagd en de plaag was opgehouden, wilden zij hen echter terughalen, om hen opnieuw tot slaven te maken.stylus1 Samuël 2:7, 1 Samuël 2:8, 1 Samuël 2:7, 1 Samuël 2:8, Lucas 1:5212Toen opende de God van de hemel de zee voor de Israëlieten, zodat zij konden vluchten; want als een muur stond het water aan weerskanten onbewegelijk overeind, zodat zij droogvoets hun weg konden vervolgen over de bodem der zee.stylusPsalmen 33:10, Psalmen 33:11, Psalmen 33:10, Psalmen 33:11, Psalmen 21:1113Maar toen een ontelbaar leger van Egyptenaren hun ook hier achterna ging, sloeg het water over de Egyptenaren heen, zodat er niemand overbleef, om het gebeurde aan het nageslacht te vertellen.stylusPsalmen 9:15, Psalmen 9:16, 1 Korintiërs 3:19, Psalmen 9:15, Psalmen 9:1614Na hun doortocht door de Rode Zee, sloegen de Israëlieten hun legerplaats op in de woestijn van het Sinaïgebergte, waar nog nooit een mens had kunnen wonen en geen mensenkind zich had gevestigd.stylusJob 12:25, Job 12:25, Deuteronomium 28:29, Jesaja 59:10, Deuteronomium 28:2915Daar werden bittere bronnen voor hen in zoet drinkwater veranderd, en kregen zij veertig jaar lang voedsel uit de hemel.stylusPsalmen 35:10, Psalmen 35:10, Job 4:10, Psalmen 140:12, Psalmen 10:1716Overal waar zij binnentrokken zonder pijl en boog, zonder schild en zwaard, streed hun God voor hen en behaalde de zege.stylusPsalmen 107:42, Psalmen 107:42, 1 Samuël 2:8, 1 Samuël 2:9, Psalmen 63:1117Niemand was bij machte, dit volk te weerstaan, behalve wanneer het was afgeweken van de dienst van den Heer, zijn God.stylusJakobus 1:12, Jakobus 1:12, Psalmen 94:12, Psalmen 94:12, Spreuken 3:1118Want telkens, wanneer zij iemand anders dan hun eigen God vereerden, werden zij prijsgegeven aan plundering, zwaard en verachting.stylusHosea 6:1, Hosea 6:1, Deuteronomium 32:39, Deuteronomium 32:39, Jesaja 30:2619Maar zodra zij berouw toonden, dat zij de dienst van hun God hadden verlaten, gaf de God van de hemel hun de kracht terug, om weerstand te bieden.stylusPsalmen 34:19, Psalmen 34:19, 1 Korintiërs 10:13, 1 Korintiërs 10:13, Psalmen 91:320Zo versloegen zij ten slotte de koningen der Kanaänieten, Jeboesieten, Perizzieten, Chittieten, Chiwwieten, Amorieten en alle machthebbers van Chesjbon, en namen hun landen en steden in bezit.stylusPsalmen 33:19, Psalmen 33:19, Hosea 13:14, Hosea 13:14, Genesis 45:721Zolang zij dus voor het aanschijn van hun God geen zonde bedreven, hadden zij voorspoed; want hun God haat de ongerechtigheid.stylusPsalmen 31:20, Psalmen 31:20, Psalmen 91:5, Psalmen 91:7, Psalmen 91:522Toen zij dan ook jaren geleden van de weg, die God hun had voorgeschreven, waren afgeweken, werden zij in een groot aantal oorlogen door de volkeren vernietigd en de meesten van hen gevangen weggevoerd naar een vreemd land.stylusEzechiël 34:25, Ezechiël 34:25, Jesaja 35:9, Jesaja 35:9, Psalmen 91:1323Maar omdat ze zich toen tot hun God hebben bekeerd, zijn ze onlangs uit de wijde verstrooiing weer bijeen gekomen, hebben zich weer overal in de bergen gevestigd en zijn opnieuw in het bezit van Jerusalem, waar hun heiligdom is.stylusLeviticus 26:6, Leviticus 26:6, Hosea 2:18, Hosea 2:18, Daniël 6:2224Mijn heer dient dus een onderzoek in te stellen. Als zij zich tegenover hun God aan een of andere zonde hebben schuldig gemaakt, moeten wij tegen hen optrekken; want dan zal hun God hen zeker aan u overleveren, en zullen zij zich moeten buigen onder het juk van uw macht.stylusPsalmen 121:7, Psalmen 121:8, Psalmen 121:7, Psalmen 121:8, Psalmen 91:1025Maar als dit volk niet tegen zijn God heeft gezondigd, zullen wij niet tegen hen bestand zijn; want dan zal hun God ze verdedigen, en zullen wij voor de gehele wereld te schande staan.stylusPsalmen 112:2, Psalmen 112:2, Psalmen 72:16, Psalmen 72:16, Genesis 15:526Toen Achior deze toespraak geëindigd had, waren alle legeraanvoerders van Holoférnes woedend, en wilden hem doden. Ze riepen tot elkander:stylusSpreuken 9:11, Job 42:16, Job 42:17, Spreuken 9:11, Job 42:1627Hoe durft die man beweren, dat de Israëlieten weerstand kunnen bieden aan koning Nabukodonosor en zijn leger? Het zijn maar ongewapende en hulpeloze mensen, die niets van krijgskunst verstaan.stylusPsalmen 111:2, Psalmen 111:2, Job 32:11, Job 32:12, Spreuken 9:1228Laat ons het gebergte intrekken; dan kan Achior zien, dat hij ons bedriegt. En als wij hun voornaamste mannen hebben gevangen genomen, zal hij tegelijk met hen door het zwaard worden gedood.stylus29Dan zullen alle volkeren moeten erkennen, dat Nabukodonosor de god der wereld is, dat hij alleen god is en niemand anders.stylus