Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Job Hoofdstuk 31

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
JOB

Job 31

1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
Spreuken 6:20, 2 Timotheüs 1:5, Spreuken 6:20, 2 Timotheüs 1:5, Spreuken 1:8
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
Jesaja 49:15, Jesaja 49:15, 1 Samuël 1:11, 1 Samuël 1:11, 1 Samuël 1:28
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
Nehemia 13:26, Deuteronomium 17:17, Nehemia 13:26, Deuteronomium 17:17, Spreuken 7:26
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
Spreuken 20:1, Spreuken 20:1, Prediker 10:17, Jesaja 5:22, Prediker 10:17
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
Habakuk 2:5, Habakuk 2:5
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
1 Timotheüs 5:23, 1 Timotheüs 5:23, Psalmen 104:15, Psalmen 104:15, 1 Samuël 1:10
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
Efeziërs 5:18, Efeziërs 5:18
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
Psalmen 82:3, Psalmen 82:4, Psalmen 82:3, Psalmen 82:4, Spreuken 24:11
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
Jesaja 1:17, Jesaja 1:17, Amos 5:11, Amos 5:12, Leviticus 19:15
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
Spreuken 19:14, Spreuken 19:14, Spreuken 12:4, Spreuken 12:4, Spreuken 18:22
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
1 Petrus 3:1, 1 Petrus 3:7, 1 Petrus 3:1, 1 Petrus 3:7, 2 Koningen 4:22
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
1 Samuël 25:18, 1 Samuël 25:22, 1 Samuël 25:18, 1 Samuël 25:22, 1 Samuël 25:26
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
Titus 2:5, Titus 2:5, 1 Timotheüs 5:10, 1 Timotheüs 5:10, 2 Tessalonicenzen 3:10
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
Spreuken 31:24, 1 Koningen 9:26, 1 Koningen 9:28, Ezechiël 27:3, Ezechiël 27:36
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
Romeinen 12:11, Romeinen 12:11, Spreuken 20:13, Marcus 1:35, Lucas 12:42
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
Mattheüs 13:44, Mattheüs 13:44, Hooglied 8:12, Hooglied 8:12, Jozua 15:18
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
Job 38:3, Job 38:3, Efeziërs 6:10, 1 Petrus 1:13, Efeziërs 6:10
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
1 Tessalonicenzen 2:9, 1 Tessalonicenzen 2:9, Mattheüs 25:3, Mattheüs 25:10, Mattheüs 25:3
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
Exodus 35:25, Exodus 35:26, Exodus 35:25, Exodus 35:26
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
Efeziërs 4:28, Efeziërs 4:28, Hebreeën 13:16, Hebreeën 13:16, Spreuken 19:17
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
Genesis 45:22, Genesis 45:22, 2 Samuël 1:24, Spreuken 25:20, 2 Samuël 1:24
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
Openbaring 19:8, Openbaring 19:8, Genesis 41:42, Spreuken 7:16, Genesis 41:42
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
Spreuken 12:4, Spreuken 12:4, Ruth 4:1, Ruth 4:1, Deuteronomium 16:18
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
Ezechiël 27:16, Ezechiël 27:16, Richteren 14:12, Lucas 16:19, Spreuken 31:19
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
Job 40:10, Romeinen 13:14, Job 40:10, Romeinen 13:14, Efeziërs 4:24
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
Spreuken 16:24, Efeziërs 4:29, Spreuken 16:24, Efeziërs 4:29, Spreuken 10:31
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
1 Timotheüs 5:10, 1 Timotheüs 5:10, Titus 2:4, Titus 2:4, Spreuken 14:1
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
2 Timotheüs 3:15, 2 Timotheüs 3:17, 2 Timotheüs 3:15, 2 Timotheüs 3:17, 2 Timotheüs 1:5
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
Hooglied 6:8, Hooglied 6:9, Hooglied 6:8, Hooglied 6:9, Efeziërs 5:27
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
1 Petrus 3:4, 1 Petrus 3:5, 1 Petrus 3:4, 1 Petrus 3:5, Spreuken 1:7
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
Psalmen 128:2, Psalmen 128:2, Hebreeën 6:10, Hebreeën 6:10, Openbaring 14:13
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.

Andere Boeken

JobPsalmenSpreuken+

Andere Boeken

JobHfst. 31
PsalmenSpreukenPredikerHoogliedWijsheid
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward