1Job antwoordde, en sprak:stylusSpreuken 19:21, Spreuken 19:21, Spreuken 16:9, Spreuken 16:9, Lucas 21:142Zulke beweringen heb ik nu al meer dan genoeg gehoord; Gij zijt allemaal onuitstaanbare troosters!stylusSpreuken 21:2, Spreuken 21:2, 1 Samuël 16:7, 1 Samuël 16:7, Lucas 16:153Komt er dan nooit een eind aan die bluf, Wat prikkelt u toch, om te praten?stylusPsalmen 37:4, Psalmen 37:5, Psalmen 37:4, Psalmen 37:5, Spreuken 3:64Ik zou juist eender als gij kunnen spreken, Waart gij in mijn plaats; Mooie woorden tegen u kunnen zeggen, Het hoofd over u kunnen schudden;stylusRomeinen 9:22, 2 Petrus 2:9, Romeinen 9:22, 2 Petrus 2:9, Jesaja 43:215U met de mond kunnen troosten, En met de lippen beklagen.stylusSpreuken 6:16, Spreuken 6:17, Spreuken 6:16, Spreuken 6:17, Spreuken 8:136Als ik spreek, wordt mijn leed er niet door verminderd; Maar wat komt er van mij, als ik zwijg?stylusSpreuken 14:16, Spreuken 14:16, Job 28:28, Job 28:28, 2 Korintiërs 7:17De kwaadwillige zou mij aanstonds weerloos maken En heel zijn bent greep mij aan;stylusRomeinen 8:31, Romeinen 8:31, 1 Johannes 3:22, 1 Johannes 3:22, Kolossenzen 1:108Mijn lasteraar zou tegen mij getuigen, Tegen mij optreden, mij aanklagen;stylusPsalmen 37:16, Spreuken 15:16, Psalmen 37:16, Spreuken 15:16, 1 Timotheüs 6:69Zijn toorn verscheurt en bestookt mij, Hij knerst de tanden tegen mij! Mijn tegenstanders zouden mij met hun ogen doorboren,stylusSpreuken 19:21, Spreuken 19:21, Psalmen 37:23, Psalmen 37:23, Spreuken 16:110Hun monden tegen mij opensperren, Smadelijk mij op de wangen slaan, Als één man tegen mij optrekken!stylusJesaja 32:1, Jesaja 32:2, Jesaja 32:1, Jesaja 32:2, Genesis 44:511Want God levert mij aan deugnieten over, En werpt mij in de handen der bozen;stylusSpreuken 11:1, Spreuken 11:1, Spreuken 20:10, Spreuken 20:10, Ezechiël 45:1012Ik leefde in vrede: Hij heeft me gebroken, Bij de nek gegrepen en neergesmakt; Hij heeft mij tot zijn doelwit gemaakt,stylusSpreuken 25:5, Spreuken 25:5, Lucas 12:48, Spreuken 29:14, Lucas 12:4813Zijn pijlen snorren om mij heen; Meedogenloos doorboort Hij mijn nieren, En stort mijn gal over de bodem uit.stylusSpreuken 14:35, Spreuken 14:35, Spreuken 22:11, Psalmen 101:5, Psalmen 101:714Hij schiet mij de ene bres na de andere, Als een krijgsheld stormt Hij op mij los;stylusSpreuken 20:2, Spreuken 20:2, Spreuken 19:12, Spreuken 19:12, Spreuken 17:1115Ik heb een rouwkleed over mijn huid genaaid, Mijn hoorn in het stof laten zakken;stylusPsalmen 72:6, Job 29:23, Job 29:24, Psalmen 72:6, Job 29:2316Mijn gelaat is rood van het wenen, En over mijn wimpers ligt de schaduw des doods.stylusSpreuken 8:10, Spreuken 8:11, Spreuken 8:10, Spreuken 8:11, Spreuken 8:1917Maar omdat er geen geweld aan mijn handen kleeft, Klinkt mijn rein gebed naar omhoog:stylusJesaja 35:8, Jesaja 35:8, Spreuken 19:16, Spreuken 10:9, Spreuken 19:1618Aarde, houd mijn bloed niet bedekt En smoor mijn jammerklacht niet!stylusSpreuken 11:2, Spreuken 11:2, Jesaja 2:11, Jesaja 2:12, Jesaja 2:1119Maar nog leeft mijn Getuige in de hemel, Mijn pleitbezorger in den hoge!stylusMattheüs 5:3, Mattheüs 5:3, Jesaja 57:15, Psalmen 138:6, Jesaja 57:1520Mijn jammeren dringt door tot God, Mijn oog stort tranen voor zijn aanschijn.stylusJeremia 17:7, Jeremia 17:8, Jeremia 17:7, Jeremia 17:8, Jesaja 30:1821O, mocht er een scheidsrechter zijn tussen den mens en God, Als tussen den mens en zijn naaste!stylusSpreuken 16:23, Spreuken 16:24, Spreuken 16:23, Spreuken 16:24, Spreuken 15:722Want luttel zijn de jaren, die mij nog resten, Eer ik de weg bewandel, waarlangs men niet terugkeert.stylusMattheüs 15:14, Johannes 6:63, Spreuken 13:14, Mattheüs 15:14, Johannes 6:6323stylusSpreuken 15:28, Spreuken 15:28, Mattheüs 12:34, Mattheüs 12:35, Mattheüs 12:34