1De mens, geboren uit een vrouw, Leeft korte tijd en vol ellende;stylusSpreuken 31:10, Spreuken 31:31, Spreuken 31:10, Spreuken 31:31, Spreuken 24:32Hij ontluikt en verwelkt als een bloem, Vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand:stylusHandelingen 10:35, 2 Timotheüs 3:2, 2 Timotheüs 3:3, Handelingen 10:35, 2 Timotheüs 3:23En op zo een vestigt Gij uw oog, En daagt Gij voor uw gericht!stylusSpreuken 12:6, Spreuken 12:6, Jakobus 3:5, Jakobus 3:6, Jakobus 3:54Kan een reine uit een onreine komen? Niet een!stylus1 Korintiërs 9:9, 1 Korintiërs 9:11, 1 Korintiërs 9:9, 1 Korintiërs 9:11, Spreuken 13:235Maarwanneer dus zijn dagen zijn vastgesteld, Het getal zijner maanden door U is bepaald, Gij hem zijn grens hebt gesteld, die hij niet overschrijdt:stylusExodus 23:1, Spreuken 6:19, Spreuken 19:5, Exodus 23:1, Spreuken 6:196Wend dan uw blik van Hem af, en laat hem met rust, Tot hij zijn dagtaak als een huurling volbracht heeft!stylusJakobus 1:5, Jakobus 1:5, Mattheüs 13:11, Mattheüs 13:12, Mattheüs 13:117Ja, voor een boom is er hoop, als hij wordt omgehakt: Hij loopt weer uit, en zijn loten houden niet op.stylusSpreuken 13:20, Spreuken 13:20, Spreuken 9:6, Efeziërs 5:11, 1 Korintiërs 5:118Al is ook zijn wortel in de bodem verouderd, Afgestorven zijn tronk in het stof:stylusEfeziërs 5:17, Efeziërs 5:17, 2 Timotheüs 3:13, 2 Timotheüs 3:13, Jakobus 3:139Hij bot weer uit, zodra hij het water maar ruikt, Schiet takken als een jonge plant.stylusSpreuken 10:23, Spreuken 26:18, Spreuken 26:19, Romeinen 14:17, Romeinen 14:1810Maar sterft een mens, ontzield blijft hij liggen Geeft hij de geest, hij is er niet meer.stylusFilippenzen 4:7, Spreuken 18:14, Filippenzen 4:7, Spreuken 18:14, Job 10:111Zoals water wegvloeit uit de zee, De rivier leegloopt en uitdroogt:stylusSpreuken 3:33, Spreuken 3:33, Spreuken 12:7, Spreuken 12:7, Mattheüs 7:2612Zo legt de mens zich neer, en staat niet meer op En wordt niet wakker uit zijn slaap. 14:12b Zolang de hemel bestaat, ontwaken zij niet!stylusSpreuken 16:25, Spreuken 16:25, Mattheüs 7:13, Mattheüs 7:14, Mattheüs 7:1313Ach, als Gij mij in het dodenrijk mocht verschuilen, Mij verbergen, tot uw toorn is bedaard, Mij een tijdstip bepalen, en dan aan mij denken,stylusPrediker 2:2, Prediker 2:2, Jakobus 4:9, Jakobus 4:9, Prediker 2:1014Den mens na zijn dood deedt herleven: Dan zou ik al de dagen van mijn harde dienst blijven wachten, Tot mijn aflossing komt!stylusGalaten 6:8, Galaten 6:8, Spreuken 12:14, Spreuken 12:14, Hebreeën 3:1215Hoe zou ik dan antwoorden, als Gij riept Als Gij het werk uwer handen verlangend kwaamt zoeken!stylusSpreuken 14:8, Efeziërs 5:17, Spreuken 14:8, Efeziërs 5:17, Spreuken 4:2616Terwijl Gij thans mijn schreden telt, Zoudt Gij niet langer op mijn zonden meer loeren,stylusSpreuken 22:3, Spreuken 22:3, Spreuken 3:7, Spreuken 3:7, 1 Tessalonicenzen 5:2217Maar in een buidel mijn overtreding verzegelen, En mijn fouten bedekken!stylusSpreuken 14:29, Spreuken 14:29, Spreuken 29:22, Spreuken 29:22, Prediker 7:918Maar zoals een berg ineenstort, Een rots van haar plaats wordt gerukt,stylus1 Petrus 1:18, 1 Petrus 1:18, 1 Petrus 5:4, 1 Petrus 5:4, Spreuken 4:719Het water de stenen uitholt, Een stortregen de aardbodem wegspoelt: Zo slaat Gij de hoop der mensen de bodem in,stylusGenesis 42:6, Maleachi 4:3, Genesis 42:6, Maleachi 4:3, Openbaring 3:920Gij slaat hem neer, hij gaat heen voor altijd; Gij verbleekt zijn gelaat, en zendt hem weg.stylusSpreuken 19:4, Spreuken 19:4, Spreuken 10:15, Spreuken 10:15, Spreuken 19:621Zijn zonen mogen worden geëerd: hij ziet het niet; Tot schande komen: hij bemerkt het niet.stylusSpreuken 19:17, Spreuken 28:27, Spreuken 11:12, Spreuken 19:17, Spreuken 28:2722Slechts over zijn eigen lichaam voelt hij smart, Blijft over zijn eigen ziel in droefheid gedompeld!stylusSpreuken 12:2, Spreuken 12:2, Johannes 1:17, Johannes 1:17, Psalmen 61:7