1Ach, mocht mijn hoofd een stortvloed worden, Mijn oog een bron van tranen: Dat ik dag en nacht kon bewenen De doden van de dochter van mijn volk!stylusHosea 10:5, Hosea 10:5, Hosea 4:12, Jeremia 44:17, Hosea 4:122Ach, had ik in de woestijn Maar een afgelegen verblijf: Dan verliet ik mijn volk, En ging van hen heen; Want allen zijn het overspelers, Een trouweloos rot.stylusHosea 2:9, Hosea 2:9, Micha 6:13, Micha 6:16, Micha 6:133Ze spannen hun tong Als een boog met hun leugens; Niet op eerlijke wijze verkrijgen ze macht in het land, Maar van het ene kwaad vervallen ze in het andere; Mij kennen ze niet: Is de godsspraak van Jahweh!stylusEzechiël 4:13, Ezechiël 4:13, Hosea 8:13, Hosea 8:13, Leviticus 25:234Wees voor uw vriend op uw hoede, En niemand vertrouwe zijn broer; Want alle broers zijn bedriegers, Een lasteraar iedere vriend;stylusJeremia 6:20, Hosea 8:13, Deuteronomium 26:14, Jeremia 6:20, Hosea 8:135Ze liegen maar tegen elkander, Nooit spreken ze waarheid. Ze hebben hun tong leren liegen, En putten zich uit in geveins,stylusJesaja 10:3, Jesaja 10:3, Jeremia 5:31, Hosea 2:11, Jeremia 5:316In geweld op geweld, In bedrog op bedrog; Mij willen ze niet kennen: Is de godsspraak van Jahweh!stylusHosea 10:8, Hosea 10:8, Jesaja 5:6, Jesaja 5:6, Hosea 9:37Daarom zegt Jahweh der heirscharen: Zie, Ik ga ze smelten en keuren; Wat kan Ik anders doen Met de dochter van mijn volk?stylusHandelingen 26:24, Handelingen 26:25, Handelingen 26:24, Handelingen 26:25, Micha 7:48Want hun tong is een moordende pijl, Het woord in hun mond is bedrog. Vrede! roept men zijn vrienden toe, Maar in zijn binnenste legt men ze strikken.stylusHosea 5:1, Ezechiël 3:17, Hosea 5:1, Ezechiël 3:17, Jesaja 62:69En zou Ik dit alles niet straffen: Is de godsspraak van Jahweh: Op zulk een volk Mij niet wreken!stylusHosea 10:9, Hosea 10:9, Richteren 19:16, Richteren 20:21, Richteren 19:1610Heft een wee- en jammerklacht aan op de bergen, Een klaaglied op de dreven der steppe: Want ze liggen verlaten, er trekt niemand doorheen, Men hoort er niet meer het blaten der kudde; De vogels uit de lucht met het vee Zijn weggevlucht en verdwenen.stylusJeremia 11:13, Hosea 4:14, Jeremia 11:13, Hosea 4:14, Ezechiël 20:811Van Jerusalem ga Ik een puinhoop maken, een jakhalzen-hol; Van de steden van Juda een wildernis zonder bewoners!stylusHosea 10:5, Deuteronomium 28:18, Hosea 4:7, Hosea 9:14, Hosea 10:512Wie wijs is, hij zal het begrijpen, Tot wien Jahweh’s mond heeft gesproken, hij zal het verkonden: Waarom dit land te gronde moet gaan, Verlaten als een woestijn, waar niemand doorheen trekt!stylusHosea 7:13, Hosea 7:13, Hosea 9:16, Deuteronomium 31:17, Deuteronomium 32:2513Jahweh zegt: Omdat ze mijn wet hebben verlaten, Die Ik hun had gegeven; Naar mijn stem niet hebben geluisterd, En er niet naar hebben geleefd;stylusEzechiël 27:3, Ezechiël 26:1, Ezechiël 26:21, Ezechiël 27:3, Ezechiël 26:114Maar hun afgestompt hart zijn gevolgd, En de Báals, zoals hun vaders het hen hadden geleerd.stylusLucas 23:29, Lucas 23:29, Lucas 21:23, Marcus 13:17, Hosea 9:1615Daarom zegt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Zie, Ik ga dit volk met alsem voeden, en drenken met gif;stylusHosea 4:15, Hosea 12:11, Hosea 4:15, Hosea 12:11, Jesaja 1:2316Ik ga ze verstrooien onder de volken, Die zijzelf noch hun vaders hebben gekend; En Ik zend hun het zwaard achterna, Totdat Ik ze geheel heb vernield!stylusHosea 9:11, Hosea 9:13, Hosea 9:11, Hosea 9:13, Jesaja 5:2417Dit zegt Jahweh der heirscharen: Gaat klaagvrouwen zoeken, laat ze komen; De bekwaamsten ontbieden, Dat ze komen, zich spoeden;stylusDeuteronomium 28:64, Deuteronomium 28:65, Hosea 7:13, Deuteronomium 28:64, Deuteronomium 28:6518Laat ze een klaaglied over ons jammeren, Dat onze ogen stromen van tranen, Onze wimpers druipen van water.stylus19Hoort! Een jammerklacht Wordt uit Sion vernomen: Hoe zijn we vernield, Hoe diep beschaamd; Want we moeten het land verlaten. Men heeft onze huizen verwoest.stylus20Ach vrouwen, hoort het woord van Jahweh, Laat uw oren luisteren naar het woord van zijn mond; Leert uw dochters een treurzang, Elkander een klaaglied;stylus21Want de dood is door onze vensters geklommen, En onze paleizen binnengedrongen! Hij maait de kinderen weg van de straat, De jeugd van de pleinen;stylus22De mensenlijken liggen neer Als mest op de akker; Als halmen achter den maaier, Die niemand leest!stylus23Zo spreekt Jahweh: De wijze roeme niet op zijn wijsheid, De sterke roeme niet op zijn sterkte, De rijke roeme niet op zijn rijkdom.stylus24Wie roemen wil, moet hierin roemen: Dat hij verstandig is, en Mij erkent, Dat Ik Jahweh ben, die genade oefent, Recht en gerechtigheid op aarde; Want daarin heb Ik behagen, spreekt Jahweh!stylus25Zie, de dagen komen, spreekt Jahweh, Dat Ik op alle besnedenen afkom, die onbesneden bleven:stylus26Op Egypte, Juda en Edom, Op de zonen van Ammon en Moab; Op allen ook, die zich de slapen scheren En de steppe bewonen! Want alle heidenen zijn onbesneden, Maar heel Israëls huis is onbesneden van hart!stylus