1Israël, zo ge u waarachtig bekeert, Moogt ge u weer tot Mij wenden, spreekt Jahweh; En wanneer ge uw gruwelen wegdoet, Hoeft ge mijn aanschijn niet langer te vluchten.stylusJeremia 4:22, Jeremia 4:22, Micha 6:2, Micha 6:2, Jesaja 3:132Wanneer ge zweert: "Bij het leven van Jahweh!" En ge doet het waarachtig, eerlijk, oprecht: Dan zullen de volkeren in u zich zegenen, In u zich beroemen.stylusHosea 6:9, Hosea 6:9, Hosea 7:1, 1 Tessalonicenzen 2:15, Jeremia 5:263Want zo spreekt Jahweh Tot de mannen van Juda en Jerusalem: Ge moet een nieuw land gaan ontginnen, Niet langer tussen doornen zaaien.stylusSefanja 1:3, Sefanja 1:3, Jesaja 24:4, Jesaja 24:12, Nahum 1:44Besnijdt u voor Jahweh, uw God, Neemt de voorhuid weg van uw hart: Mannen van Juda, Bewoners van Jerusalem!stylusDeuteronomium 17:12, Deuteronomium 17:12, Hosea 4:17, Amos 5:13, Hosea 4:175Anders laait mijn gramschap op als een vuur, Verbrandt, en niemand kan blussen, Om de boosheid van uw werken: Is de godsspraak van Jahweh! Roept het in Juda, meldt het in Jerusalem, Blaast de bazuin in het land; Schreeuwt het overal uit: Verzamelt u; We vluchten de versterkte steden in!stylusHosea 2:2, Jeremia 15:8, Hosea 2:2, Jeremia 15:8, Galaten 4:266Neemt de banier op en vlucht naar de Sion, Redt u, en houdt u niet op; Want uit het noorden laat Ik een onheil komen, Een ontzettende ramp!stylusJesaja 5:13, Jesaja 5:13, Spreuken 19:2, Spreuken 19:2, Hosea 6:67De leeuw is uit zijn struiken gesprongen, De volkenverslinder is opgerukt uit zijn hol, Om uw land tot een steppe te maken, Uw steden te verwoesten en te ontvolken.stylusHosea 13:6, Hosea 13:6, Filippenzen 3:19, 1 Samuël 2:30, Filippenzen 3:198Kleedt u in zakken, Jammert en huilt; Want Jahweh’s ziedende gramschap Wijkt niet van ons.stylusJesaja 56:11, Jesaja 56:11, Micha 3:11, Titus 1:11, Micha 3:119Op die dag: is de godsspraak van Jahweh: Zullen koning en vorsten radeloos staan, De priesters wanhopig, De profeten ontsteld.stylusJesaja 24:2, Jeremia 5:31, Jesaja 24:2, Jeremia 5:31, Mattheüs 15:1410Ze roepen: Ach Jahweh, mijn Heer, Gij hebt dus dit volk en Jerusalem bedrogen. Gij hebt gezegd: Ge zult vrede hebben; En het zwaard bedreigt nu ons leven.stylusMicha 6:14, Micha 6:14, Leviticus 26:26, Leviticus 26:26, Haggaï 1:611In die tijd zal men roepen Tot dit volk en Jerusalem: Een verschroeiende wind uit de dorre woestijn Breekt los op de dochter van mijn volk.stylusSpreuken 20:1, Spreuken 20:1, Lucas 21:34, Jesaja 28:7, Lucas 21:3412Niet om te wannen, niet om te ziften: Een rukwind komt, door Mij gestuurd; Want nu is de beurt aan Mij gekomen, Om hun vonnis te vellen.stylusJeremia 2:27, Hosea 5:4, Jeremia 2:27, Hosea 5:4, Habakuk 2:1913Zie, als onweerswolken daagt hij op, Als een wervelwind rollen zijn wagens, Vlugger dan adelaars rennen zijn paarden: Wee ons, we zijn verloren!stylusJesaja 1:29, Jesaja 1:29, Ezechiël 6:13, Jeremia 3:6, Ezechiël 6:1314Jerusalem, reinig uw hart toch van boosheid, Opdat ge nog redding moogt vinden. Hoe lang toch zullen in uw borst Uw zondige gedachten nog wonen?stylusHosea 4:1, Hosea 4:1, Johannes 8:43, 2 Koningen 23:7, Romeinen 3:1115Hoort; een tijding uit Dan, Een ongeluksbode uit Efraïms bergen!stylusHosea 9:15, Hosea 12:11, Hosea 9:15, Hosea 12:11, Amos 4:416Meldt het aan Sion: "Daar zijn ze!" Bericht het in Jerusalem! Belegeraars komen uit verre landen, Heffen hun strijdkreet aan tegen de steden van Juda,stylusJesaja 7:21, Jesaja 7:25, Jeremia 3:8, Jeremia 3:6, Jesaja 22:1817Omsingelen het als veldbewakers: Omdat het Mij heeft getart, is de godsspraak van Jahweh!stylusPsalmen 81:12, Psalmen 81:12, Openbaring 22:11, Hosea 4:4, Mattheüs 15:1418Uw handel en wandel Hebben u dit verdiend; Uw eigen boosheid maakt het zo bitter, En wondt u het hart.stylusMicha 3:11, Micha 3:11, Exodus 23:8, Jeremia 2:21, Micha 7:319Mijn borst, mijn borst; ik krimp ineen, O, de wand van mijn hart; Hoe bonst mijn hart, Ik kan het niet stillen! Want ik hoor het geschal der trompetten, Het lawaai van de krijg;stylusJesaja 1:29, Jesaja 1:29, Jeremia 51:1, Jeremia 4:11, Jeremia 4:1220Ruïne dreunt neer op ruïne, Het hele land is verwoest. Plotseling liggen mijn tenten vernield, In een oogwenk mijn zeilen;stylus21Hoe lang nog moet ik de krijgsbanier zien, De bazuin horen schallen!stylus22Want mijn volk is verdwaasd: ze kennen Mij niet; Onverstandige kinderen, zonder begrip; Volleerd alleen in de boosheid, Maar te dom, om het goede te doen.stylus23Ik zie de aarde al: ze is woest en leeg; De hemel: weg is zijn licht;stylus24Ik zie de bergen: ze rillen, En al de heuvels: ze beven.stylus25Ik zie: geen mensen meer over, Alle vogels in de lucht zijn gevlogen;stylus26Ik zie: de boomgaard een steppe, alle steden verwoest, Door Jahweh, om zijn ziedende toorn.stylus27Want zo spreekt Jahweh: Het hele land zal worden verwoest, Al verniel Ik het niet voor altijd;stylus28De aarde zal er om treuren, De hemel daarboven om rouwen. Want Ik heb het gezegd, En heb het besloten; Ik heb er geen spijt van, Ik kom er niet meer op terug.stylus29Voor het geschreeuw van ruiters en schutters Is het hele land op de vlucht; Ze kruipen in struiken, en klimmen op rotsen, Alle steden liggen verlaten, niemand die er meer woont.stylus30En gij wordt verwoest, wat ge ook doet: Al steekt ge u in purper, omhangt u met goud, Al puilen uw ogen door smink: Tevergeefs dirkt ge u op. Uw minnaars stoten u weg, Ze eisen uw leven;stylus31Ik hoor al het gillen als van een vrouw in haar weeën, Het krijten als bij een eerste kind. Het is het kermen van de dochter van Sion, Die naar adem snakt, de handen wringt. Wee mij! O, ik bezwijk Onder de slagen der beulen!stylus