1Na deze gebeurtenissen werd in een gezicht het woord van Jahweh gericht tot Abram: Vrees niet Abram: Ik ben u tot schild; Overgroot zal uw loon zijn!stylusJesaja 41:10, Jesaja 41:10, Psalmen 119:114, Psalmen 119:114, Psalmen 84:112Toen zei Abram: Jahweh, mijn Heer, wat kunt Gij me geven? Kinderloos ga ik heen, en Eliézer uit Damascus zal de bezitter zijn van mijn huis.stylusHandelingen 7:5, Genesis 25:21, Handelingen 7:5, Genesis 25:21, Psalmen 127:33En Abram ging voort: Zie, Gij hebt mij geen nazaat gegeven, en een mijner onderhorigen zal mijn erfgenaam zijn.stylusGenesis 14:14, Genesis 14:14, Spreuken 29:21, Spreuken 29:21, Prediker 2:74Weer werd het woord van Jahweh tot hem gericht: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw eigen lichaam wordt geboren, zal uw erfgenaam zijn.stylusGenesis 17:16, Genesis 17:16, Galaten 4:28, Galaten 4:28, 2 Samuël 7:125Hij voerde hem naar buiten, en sprak: Zie op naar de hemel en tel de sterren, als ge dat kunt: zó talrijk zal uw nageslacht zijn, zeide Hij hem.stylusHebreeën 11:12, Hebreeën 11:12, Romeinen 4:18, Romeinen 4:18, Deuteronomium 1:106Hij geloofde in Jahweh, en Deze rekende het hem tot gerechtigheid aan.stylusJakobus 2:23, Jakobus 2:23, Galaten 3:6, Galaten 3:14, Galaten 3:67Daarop sprak Hij tot hem: Ik ben Jahweh, die u uit Oer der Chaldeën heb geleid, om u dit land in eigendom te geven.stylusHandelingen 7:2, Handelingen 7:4, Genesis 12:1, Handelingen 7:2, Handelingen 7:48Hij antwoordde: Jahweh, mijn Heer, waaraan zal ik erkennen, dat ik het eens zal bezitten?stylusLucas 1:18, Lucas 1:18, Lucas 1:34, Lucas 1:34, 2 Koningen 20:89Hij zeide: Breng Mij een driejarige koe en een driejarigen bok en een driejarigen ram, met een tortel en een jonge duif.stylusLeviticus 14:22, Leviticus 14:30, Lucas 2:24, Leviticus 14:22, Leviticus 14:3010Hij haalde die alle, sneed ze middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; maar de vogels sneed hij niet door.stylusLeviticus 1:17, Leviticus 1:17, Jeremia 34:18, Jeremia 34:19, Jeremia 34:1811En toen de roofvogels neerstreken op de dode rompen, joeg Abram ze weg.stylusMattheüs 13:4, Mattheüs 13:4, Psalmen 119:13, Psalmen 119:13, Ezechiël 17:312Bij het ondergaan der zon werd Abram door een diepe slaap overvallen, en een sombere, geweldige angst greep hem aan.stylusGenesis 2:21, Genesis 2:21, Job 33:15, Job 33:15, Daniël 10:813Toen sprak Hij tot Abram: Weet wel, dat uw nakomelingen als vreemden in een land zullen toeven, dat hun niet toebehoort. Zij zullen daar als slaven dienen, en men zal hen vierhonderd jaar lang verdrukken.stylusHandelingen 7:6, Handelingen 7:7, Handelingen 7:6, Handelingen 7:7, Exodus 1:1114Maar van het volk, dat zij als slaven dienen, zal Ik rekenschap eisen; en daarna zullen zij uittrekken met rijke buit.stylusExodus 6:5, Exodus 6:6, Nehemia 9:9, Nehemia 9:11, Exodus 6:515Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan, en in hoge ouderdom worden begraven.stylusJob 5:26, Job 5:26, Genesis 25:7, Genesis 25:9, Genesis 25:716Eerst het vierde geslacht zal hier terugkeren; want eerder is de maat van de misdaden der Amorieten niet vol.stylus1 Koningen 21:26, 1 Koningen 21:26, Daniël 8:23, Daniël 8:23, Mattheüs 23:3217En toen de zon was ondergegaan, en er een diepe duisternis heerste, verscheen er een rokende oven en een brandende fakkel; deze gingen tussen die stukken door.stylusJeremia 34:18, Jeremia 34:19, Jeremia 34:18, Jeremia 34:19, Richteren 6:2118Op die dag sloot Jahweh met Abram het volgend verbond: Aan uw nakomelingschap geef Ik dit land in bezit van de beek van Egypte af tot aan de grote rivier de Eufraat;stylusJozua 1:3, Jozua 1:4, Jozua 1:3, Jozua 1:4, Genesis 12:719met de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten,stylusNumeri 24:21, Numeri 24:22, Numeri 24:21, Numeri 24:2220de Chittieten, Perizzieten en Refaieten,stylusJesaja 17:5, Genesis 14:5, Jesaja 17:5, Genesis 14:521de Amorieten, Kanaänieten, Girgasjieten en Jeboesieten.stylusExodus 33:2, Exodus 23:23, Exodus 23:28, Deuteronomium 7:1, Exodus 34:11