Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

2 Samuël Hoofdstuk 21

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
2 SAMUËL

2 Samuël 21

1Tijdens de regering van David heerste er eens een hongersnood, drie jaren achtereen. En toen David Jahweh daarover raadpleegde, sprak Jahweh: Op Saul en zijn huis rust een bloedschuld, omdat hij de Gibonieten gedood heeft
Jozua 7:11, Jozua 7:12, Jozua 7:11, Jozua 7:12, Genesis 12:10
2Toen ontbood de koning de Gibonieten en onderhield zich met hen. Deze Gibonieten waren geen Israëlieten, maar een overblijfsel van de Amorieten; de Israëlieten hadden zich onder ede met hen verbonden, maar in zijn ijver voor Israël en Juda had Saul getracht, ze uit te roeien.
2 Koningen 10:16, Jozua 9:3, Jozua 9:21, Galaten 4:17, Romeinen 10:2
3David zeide tot de Gibonieten: Wat moet ik voor u doen, en hoe kan ik het goed maken, opdat gij zegen afroept over het erfdeel van Jahweh?
2 Samuël 20:19, 2 Samuël 20:19, Hebreeën 9:22, 1 Samuël 26:19, Hebreeën 9:22
4De Gibonieten antwoordden hem: We hebben van Saul en zijn familie geen goud of zilver nodig; van de andere kant is het ons niet geoorloofd, iemand in Israël te doden. Hij vroeg daarop: Wat bedoelt gij dan, dat ik voor u doen zal?
Psalmen 49:6, Psalmen 49:8, 1 Petrus 1:18, 1 Petrus 1:19, Psalmen 49:6
5Toen zeiden ze tot den koning: De man, die ons heeft uitgemoord, en ons geheel wilde uitroeien, zodat we in geen enkele streek van Israël meer zouden voorkomen,
2 Samuël 21:1, 2 Samuël 21:1, Daniël 9:26, Esther 9:24, Esther 9:25
6van dien man moet men ons zeven nakomelingen uitleveren! We willen ze ophangen voor Jahweh in Gibon, op de berg van Jahweh. De koning beloofde: Ik zal ze geven.
1 Samuël 10:24, 1 Samuël 10:24, Numeri 25:4, Numeri 25:5, 1 Samuël 11:4
7De koning wilde echter Mefibósjet sparen, den zoon van Jonatan, den zoon van Saul, omdat David en Jonatan, de zoon van Saul, een eed bij Jahweh aan elkander hadden gezworen.
1 Samuël 18:3, 1 Samuël 23:18, 2 Samuël 4:4, 1 Samuël 20:15, 1 Samuël 18:3
8Daarom koos de koning twee kinderen, Armoni en Mefibósjet, die Rispa, de dochter van Ajja, aan Saul geschonken had, met de vijf kinderen, die Merab, de dochter van Saul, geschonken had aan Adriël, den zoon van Barzillai, den Mecholatiet.
2 Samuël 3:7, 1 Samuël 18:19, 2 Samuël 3:7, 1 Samuël 18:19
9Hij liet ze uitleveren aan de Gibonieten, die ze voor Jahweh op de berg ophingen. Zo kwamen alle zeven tegelijk om het leven. Het was in de eerste dagen van de oogst, bij het begin van de gerstenoogst, dat ze ter dood werden gebracht.
Ruth 1:22, Ruth 1:22, 2 Samuël 6:21, 2 Samuël 6:17, 2 Samuël 21:6
10Toen nam Rispa, de dochter van Ajja, het rouwkleed, spreidde het op de rots uit, en bleef er op zitten van het begin van de gerstenoogst af, totdat het hemelwater op hun lijken neerstroomde. Zo belette ze, dat overdag de vogels uit de lucht, en s nachts de wilde dieren er op aanvielen.
Deuteronomium 21:23, Deuteronomium 21:23, 1 Koningen 21:27, 2 Samuël 3:7, Joël 2:23
11Toen David vernam wat Rispa, de dochter van Ajja en bijvrouw van Saul, gedaan had,
2 Samuël 2:4, Ruth 2:11, Ruth 2:12, 2 Samuël 2:4, Ruth 2:11
12liet hij bij de burgers van Jabesj-Gilad het gebeente weghalen van Saul en zijn zoon Jonatan, die door hen waren weggenomen van het plein in Bet-Sjean, waar de Filistijnen ze hadden opgehangen, toen ze Saul op de Gilbóa hadden verslagen.
1 Samuël 31:10, 1 Samuël 31:13, Jozua 17:11, 1 Samuël 31:10, 1 Samuël 31:13
13En toen het gebeente van Saul en zijn zoon Jonatan vandaar was overgebracht, legde men er het gebeente van de gehangenen bij,
14en begroef het met het gebeente van Saul en zijn zoon Jonatan te Sela, in het land van Benjamin, in het graf van zijn vader Kisj. Nadat men alles volgens voorschrift van den koning had volbracht, erbarmde Jahweh Zich over het land.
2 Samuël 24:25, Jozua 18:28, 2 Samuël 24:25, Jozua 18:28, Jozua 7:26
15Toen er weer eens oorlog was tussen de Filistijnen en Israël, en David en zijn manschappen uitrukten, bezetten ze Gob, en raakten slaags met de Filistijnen.
Jozua 14:10, Jozua 14:11, Jozua 14:10, Jozua 14:11, 1 Kronieken 20:4
16Daar stond iemand op van de Refaïeten! Zijn lans woog driehonderd sikkels aan koper, en hij was met een nieuw pantser omgord. Toen hij David dreigde neer te slaan,
2 Samuël 21:18, 2 Samuël 21:20, 2 Samuël 21:18, 2 Samuël 21:20, 2 Samuël 5:18
17werd hem dat belet door Abisjai, den zoon van Seroeja, die den Filistijn doodsloeg. Maar Davids manschappen bezwoeren hem: Gij moogt niet meer met ons ten strijde trekken; anders dooft gij het licht van Israël nog uit!
1 Koningen 11:36, 1 Koningen 11:36, 2 Samuël 18:3, 2 Samuël 18:3, 1 Koningen 15:4
18Later kwam het in Gob nog eens tot een gevecht met de Filistijnen. Bij die gelegenheid versloeg Sibbekai, de Choesjatiet, een zekeren Saf, die tot de Refaïeten behoorde.
1 Kronieken 11:29, 1 Kronieken 11:29, 2 Samuël 21:20, 2 Samuël 21:20, 1 Kronieken 27:11
19Toen de strijd met de Filistijnen weer in Gob losbarstte, versloeg Elchanan, de zoon van Jaïr den Betlehemiet, Goliat den Gatiet, ofschoon de schacht van zijn lans gelijk een weversboom was.
1 Kronieken 20:5, 1 Kronieken 20:5, 1 Kronieken 11:26, 1 Samuël 17:4, 1 Samuël 17:11
20En toen er weer oorlog uitbrak in Gat, was er een reus, die aan zijn handen zes vingers, aan zijn voeten zes tenen had, in het geheel dus vier en twintig. Ook hij behoorde tot de Refaïeten.
2 Samuël 21:16, 2 Samuël 21:18, 2 Samuël 21:16, 2 Samuël 21:18, 1 Kronieken 20:6
21Toen hij Israël uitlachte, sloeg Jonatan, de zoon van Sjamma, den broer van David, hem neer.
1 Samuël 17:25, 1 Samuël 17:26, 1 Samuël 17:36, 1 Samuël 16:9, 1 Samuël 17:10
22Deze vier waren allen Refaïeten uit Gat; zij vielen door de hand van David en zijn manschappen.
1 Kronieken 20:8, 1 Kronieken 20:8, Romeinen 8:31, Romeinen 8:31, Jeremia 9:23

Andere Boeken

2 Samuël1 Koningen2 Koningen+

Andere Boeken

2 SamuëlHfst. 21
1 Koningen2 Koningen1 Kronieken2 KroniekenEzra
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward