1Tijdens de regering van David heerste er eens een hongersnood, drie jaren achtereen. En toen David Jahweh daarover raadpleegde, sprak Jahweh: Op Saul en zijn huis rust een bloedschuld, omdat hij de Gibonieten gedood heeftstylusJozua 7:11, Jozua 7:12, Jozua 7:11, Jozua 7:12, Genesis 12:102Toen ontbood de koning de Gibonieten en onderhield zich met hen. Deze Gibonieten waren geen Israëlieten, maar een overblijfsel van de Amorieten; de Israëlieten hadden zich onder ede met hen verbonden, maar in zijn ijver voor Israël en Juda had Saul getracht, ze uit te roeien.stylus2 Koningen 10:16, Jozua 9:3, Jozua 9:21, Galaten 4:17, Romeinen 10:23David zeide tot de Gibonieten: Wat moet ik voor u doen, en hoe kan ik het goed maken, opdat gij zegen afroept over het erfdeel van Jahweh?stylus2 Samuël 20:19, 2 Samuël 20:19, Hebreeën 9:22, 1 Samuël 26:19, Hebreeën 9:224De Gibonieten antwoordden hem: We hebben van Saul en zijn familie geen goud of zilver nodig; van de andere kant is het ons niet geoorloofd, iemand in Israël te doden. Hij vroeg daarop: Wat bedoelt gij dan, dat ik voor u doen zal?stylusPsalmen 49:6, Psalmen 49:8, 1 Petrus 1:18, 1 Petrus 1:19, Psalmen 49:65Toen zeiden ze tot den koning: De man, die ons heeft uitgemoord, en ons geheel wilde uitroeien, zodat we in geen enkele streek van Israël meer zouden voorkomen,stylus2 Samuël 21:1, 2 Samuël 21:1, Daniël 9:26, Esther 9:24, Esther 9:256van dien man moet men ons zeven nakomelingen uitleveren! We willen ze ophangen voor Jahweh in Gibon, op de berg van Jahweh. De koning beloofde: Ik zal ze geven.stylus1 Samuël 10:24, 1 Samuël 10:24, Numeri 25:4, Numeri 25:5, 1 Samuël 11:47De koning wilde echter Mefibósjet sparen, den zoon van Jonatan, den zoon van Saul, omdat David en Jonatan, de zoon van Saul, een eed bij Jahweh aan elkander hadden gezworen.stylus1 Samuël 18:3, 1 Samuël 23:18, 2 Samuël 4:4, 1 Samuël 20:15, 1 Samuël 18:38Daarom koos de koning twee kinderen, Armoni en Mefibósjet, die Rispa, de dochter van Ajja, aan Saul geschonken had, met de vijf kinderen, die Merab, de dochter van Saul, geschonken had aan Adriël, den zoon van Barzillai, den Mecholatiet.stylus2 Samuël 3:7, 1 Samuël 18:19, 2 Samuël 3:7, 1 Samuël 18:199Hij liet ze uitleveren aan de Gibonieten, die ze voor Jahweh op de berg ophingen. Zo kwamen alle zeven tegelijk om het leven. Het was in de eerste dagen van de oogst, bij het begin van de gerstenoogst, dat ze ter dood werden gebracht.stylusRuth 1:22, Ruth 1:22, 2 Samuël 6:21, 2 Samuël 6:17, 2 Samuël 21:610Toen nam Rispa, de dochter van Ajja, het rouwkleed, spreidde het op de rots uit, en bleef er op zitten van het begin van de gerstenoogst af, totdat het hemelwater op hun lijken neerstroomde. Zo belette ze, dat overdag de vogels uit de lucht, en s nachts de wilde dieren er op aanvielen.stylusDeuteronomium 21:23, Deuteronomium 21:23, 1 Koningen 21:27, 2 Samuël 3:7, Joël 2:2311Toen David vernam wat Rispa, de dochter van Ajja en bijvrouw van Saul, gedaan had,stylus2 Samuël 2:4, Ruth 2:11, Ruth 2:12, 2 Samuël 2:4, Ruth 2:1112liet hij bij de burgers van Jabesj-Gilad het gebeente weghalen van Saul en zijn zoon Jonatan, die door hen waren weggenomen van het plein in Bet-Sjean, waar de Filistijnen ze hadden opgehangen, toen ze Saul op de Gilbóa hadden verslagen.stylus1 Samuël 31:10, 1 Samuël 31:13, Jozua 17:11, 1 Samuël 31:10, 1 Samuël 31:1313En toen het gebeente van Saul en zijn zoon Jonatan vandaar was overgebracht, legde men er het gebeente van de gehangenen bij,stylus14en begroef het met het gebeente van Saul en zijn zoon Jonatan te Sela, in het land van Benjamin, in het graf van zijn vader Kisj. Nadat men alles volgens voorschrift van den koning had volbracht, erbarmde Jahweh Zich over het land.stylus2 Samuël 24:25, Jozua 18:28, 2 Samuël 24:25, Jozua 18:28, Jozua 7:2615Toen er weer eens oorlog was tussen de Filistijnen en Israël, en David en zijn manschappen uitrukten, bezetten ze Gob, en raakten slaags met de Filistijnen.stylusJozua 14:10, Jozua 14:11, Jozua 14:10, Jozua 14:11, 1 Kronieken 20:416Daar stond iemand op van de Refaïeten! Zijn lans woog driehonderd sikkels aan koper, en hij was met een nieuw pantser omgord. Toen hij David dreigde neer te slaan,stylus2 Samuël 21:18, 2 Samuël 21:20, 2 Samuël 21:18, 2 Samuël 21:20, 2 Samuël 5:1817werd hem dat belet door Abisjai, den zoon van Seroeja, die den Filistijn doodsloeg. Maar Davids manschappen bezwoeren hem: Gij moogt niet meer met ons ten strijde trekken; anders dooft gij het licht van Israël nog uit!stylus1 Koningen 11:36, 1 Koningen 11:36, 2 Samuël 18:3, 2 Samuël 18:3, 1 Koningen 15:418Later kwam het in Gob nog eens tot een gevecht met de Filistijnen. Bij die gelegenheid versloeg Sibbekai, de Choesjatiet, een zekeren Saf, die tot de Refaïeten behoorde.stylus1 Kronieken 11:29, 1 Kronieken 11:29, 2 Samuël 21:20, 2 Samuël 21:20, 1 Kronieken 27:1119Toen de strijd met de Filistijnen weer in Gob losbarstte, versloeg Elchanan, de zoon van Jaïr den Betlehemiet, Goliat den Gatiet, ofschoon de schacht van zijn lans gelijk een weversboom was.stylus1 Kronieken 20:5, 1 Kronieken 20:5, 1 Kronieken 11:26, 1 Samuël 17:4, 1 Samuël 17:1120En toen er weer oorlog uitbrak in Gat, was er een reus, die aan zijn handen zes vingers, aan zijn voeten zes tenen had, in het geheel dus vier en twintig. Ook hij behoorde tot de Refaïeten.stylus2 Samuël 21:16, 2 Samuël 21:18, 2 Samuël 21:16, 2 Samuël 21:18, 1 Kronieken 20:621Toen hij Israël uitlachte, sloeg Jonatan, de zoon van Sjamma, den broer van David, hem neer.stylus1 Samuël 17:25, 1 Samuël 17:26, 1 Samuël 17:36, 1 Samuël 16:9, 1 Samuël 17:1022Deze vier waren allen Refaïeten uit Gat; zij vielen door de hand van David en zijn manschappen.stylus1 Kronieken 20:8, 1 Kronieken 20:8, Romeinen 8:31, Romeinen 8:31, Jeremia 9:23