1In het eerste jaar van Cyrus, koning van Perzië, bewoog Jahweh de geest van Cyrus, den koning van Perzië, om het woord in vervulling te doen gaan, dat Jahweh door de mond van Jeremias gesproken had. Daarom liet deze door heel zijn rijk mondeling en schriftelijk afkondigen:stylusJeremia 29:10, Jeremia 29:10, 2 Kronieken 36:22, 2 Kronieken 36:23, 2 Kronieken 36:222Zo spreekt Cyrus, de koning van Perzië! Jahweh, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven, en heeft mij bevolen, Hem een tempel te bouwen in Jerusalem van Juda.stylusJesaja 45:12, Jesaja 45:13, Jesaja 45:12, Jesaja 45:13, Jesaja 44:263Laat dus ieder van u, die tot zijn volk behoort, onder de schutse van zijn God naar Jerusalem in Juda trekken en het huis van Jahweh bouwen, Israëls God; want Hij is de God, die in Jerusalem woont.stylusJeremia 10:10, Daniël 6:26, Jeremia 10:10, Daniël 6:26, Jesaja 45:54En al wie achterblijft, moet, waar hij ook toeft, de mensen, die uit zijn plaats vertrekken, een ondersteuning meegeven in zilver en goud, have en vee, behalve nog de offergaven voor het huis van God in Jerusalem.stylus1 Kronieken 29:3, 1 Kronieken 29:3, Prediker 4:9, Prediker 4:10, 1 Kronieken 29:175Daarom maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, met de priesters, de levieten en allen, wier geest Jahweh daartoe had opgewekt, zich gereed, om op te trekken en het huis van Jahweh in Jerusalem te bouwen.stylusEzra 1:1, Ezra 1:1, Filippenzen 2:13, Filippenzen 2:13, Nehemia 2:126En allen, die in hun omgeving woonden, steunden hen zo goed mogelijk met zilver en goud, met have en vee, en gaven daarenboven nog allerlei kostbaarheden als offergift mee.stylus2 Korintiërs 9:7, Ezra 8:25, Ezra 8:28, Ezra 1:4, Ezra 7:157Bovendien liet koning Cyrus het vaatwerk van de tempel van Jahweh teruggeven, dat Nabukodonosor uit Jerusalem had weggevoerd en in de tempel van zijn god had geplaatst.stylus2 Kronieken 36:7, 2 Kronieken 36:7, Ezra 5:14, 2 Koningen 24:13, Ezra 6:58Cyrus, de koning van Perzië, stelde het den schatmeester Mitredat ter hand, en deze droeg het aan Sjesjbassar, den vorst van Juda, over.stylusEzra 5:14, Ezra 5:14, Ezra 5:16, Haggaï 2:2, Haggaï 2:49Ziehier het getal: dertig gouden en duizend zilveren kommen; negen en twintig offerpannen;stylus1 Koningen 7:50, 2 Kronieken 4:11, Numeri 7:19, Numeri 7:89, 2 Kronieken 4:810dertig gouden en tweeduizend vierhonderd en tien zilveren bekers; en duizend andere vaten.stylus11Het hele getal gouden en zilveren vaten bedroeg vier en vijftighonderd. Dit alles nam Sjesjbassar mee, toen de ballingen wegtrokken van Babel naar Jerusalem.stylusMattheüs 1:11, Mattheüs 1:12, 2 Timotheüs 2:19, 2 Timotheüs 2:21, Romeinen 9:23