Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

1 Samuël Hoofdstuk 9

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
1 SAMUËL

1 Samuël 9

1Nu was er onder de Benjamieten een man, die Kisj heette; hij was een zoon van Abiël, den zoon van Seror, zoon van Bekorat, zoon van Afiach; hij was een Benjamiet, en een welvarend man.
1 Samuël 14:51, 1 Samuël 14:51, Handelingen 13:21, Handelingen 13:21, 1 Kronieken 9:36
2Deze had een zoon, Saul genaamd, jong en flink. Niemand van de Israëlieten was zo flink als hij; met kop en schouder stak hij boven heel het volk uit.
Numeri 13:33, Genesis 6:2, 1 Samuël 16:7, 2 Samuël 14:25, 2 Samuël 14:26
3Eens werden de ezelinnen van Kisj, den vader van Saul, vermist. Kisj zeide dus tot zijn zoon Saul: Neem een van de knechten met u mee, en vooruit, ga de ezelinnen zoeken.
1 Samuël 10:2, Richteren 5:10, Richteren 10:4, 1 Samuël 10:2, Richteren 5:10
4Ze doorkruisten het Efraïmgebergte en vervolgens de landstreek Sjalisja, zonder iets te vinden. Daarna zwierven ze door de landstreek Sjaälim, maar ook daar waren ze niet. Ook zochten ze het land van Benjamin af, maar ze vonden niets.
2 Koningen 4:42, 2 Koningen 4:42, Jozua 24:33, Jozua 24:33, Genesis 33:18
5Toen ze eindelijk in de landstreek Soef waren gekomen, zei Saul tot zijn knecht, die hem begeleidde: Laat ons maar teruggaan; anders maakt mijn vader zich nog meer bezorgd over ons, dan over de ezelinnen.
1 Samuël 10:2, 1 Samuël 10:2, 1 Samuël 1:1, 1 Samuël 1:1, Lucas 12:11
6Hij antwoordde hem: Daar in die stad woont een man Gods, die hoog in aanzien staat; want alles wat hij zegt komt haarfijn uit. Laat ons daarheen gaan; misschien kan hij ons inlichten omtrent de weg, die we hebben te gaan.
Deuteronomium 33:1, Deuteronomium 33:1, 1 Koningen 13:1, 1 Koningen 13:1, 1 Timotheüs 6:11
7Saul zei tot den knecht: Wat kunnen we den man dan aanbieden, als we er heen gaan? Het brood in onze zakken is op, en we hebben geen geld; wat kunnen we den godsman dan aanbieden?
2 Koningen 8:8, 1 Koningen 14:3, 2 Koningen 8:8, 1 Koningen 14:3, 2 Koningen 4:42
8De knecht hernam en zei tot Saul: Wel, ik heb nog een kwart zilveren sikkel, die ik den godsman zou kunnen aanbieden; dan zal hij ons wel inlichtingen geven over onze reis.
9(Vroeger zei men namelijk in Israël, als men God ging bevragen: "Kom, laat ons naar den ziener gaan"; want de profeet van vandaag werd vroeger ziener genoemd.)
Jesaja 30:10, Jesaja 30:10, Amos 7:12, 2 Koningen 17:13, 1 Kronieken 26:28
10Toen zei Saul tot den knecht: Uw voorstel is goed; kom, laat ons naar den ziener gaan. Ze gingen dus naar de stad waar de godsman woonde.
2 Koningen 5:13, 2 Koningen 5:14, 2 Koningen 5:13, 2 Koningen 5:14
11Terwijl ze de helling naar de stad beklommen, kwamen ze meisjes tegen, die water gingen putten. Ze vroegen haar: Is de ziener thuis?
Genesis 24:11, Genesis 24:11, Exodus 2:16, Exodus 2:16, Genesis 24:18
12Ze antwoordden hun: Ja, de ziener is juist vóór u in de stad aangekomen; want er is vandaag op de hoogte een offer voor het volk.
Genesis 31:54, Genesis 31:54, 1 Samuël 16:2, 1 Samuël 10:5, 1 Koningen 3:2
13Als gij nu naar de stad gaat, kunt gij hem nog treffen, voordat hij de hoogte beklimt om te eten. Want het volk kan niet beginnen, voordat hij komt; hij moet immers het offer zegenen, dan pas kunnen de gasten eten. Gaat dus naar boven, dan zult gij hem nog juist kunnen treffen.
Johannes 6:11, Johannes 6:11, Marcus 6:41, Mattheüs 26:26, Johannes 6:23
14Ze gingen dus naar de stad. Juist toen ze de poort binnenkwamen, liep Samuël hun tegemoet, daar hij naar buiten ging, om zich naar de hoogte te begeven.
15Nu had Jahweh daags voor de komst van Saul aan Samuël geopenbaard:
1 Samuël 15:1, Handelingen 13:21, 1 Samuël 15:1, Handelingen 13:21, Amos 3:7
16Morgen om deze tijd zal Ik een man sturen uit het gebied van Benjamin; dien moet ge zalven tot vorst over mijn volk Israël. Hij zal mijn volk verlossen uit de macht der Filistijnen. Want Ik heb op mijn volk neergezien, daar zijn geroep tot Mij is doorgedrongen.
1 Samuël 10:1, 1 Samuël 10:1, Psalmen 25:18, Psalmen 106:44, Exodus 3:7
17Toen nu Samuël Saul bemerkte, zeide Jahweh tot hem: Dat is de man, van wien Ik u gesproken heb; hij zal heersen over mijn volk.
Hosea 13:11, Hosea 13:11, Nehemia 13:19, 1 Samuël 3:13, 2 Samuël 23:6
18Intussen was Saul onder de poort op Samuël toegetreden. Hij vroeg: Wees zo goed, en vertel me, waar het huis van den ziener staat.
19Samuël gaf Saul ten antwoord: Ik zelf ben de ziener. Ga voor mij uit naar de hoogte, en eet vandaag bij mij; morgen zal ik u uitgeleide doen, en u alles vertellen, wat u op het hart ligt.
1 Korintiërs 14:25, 1 Korintiërs 14:25, Johannes 4:29, Johannes 4:29
20Wat die ezelinnen betreft, die ge nu sinds drie dagen mist, heb daar geen zorg over; want ze zijn teruggevonden. Maar aan wien zal ten deel vallen, wat heel Israël zich wenst? Aan wien anders dan aan u en aan uw gehele familie?
1 Samuël 8:5, 1 Samuël 8:5, 1 Samuël 12:13, 1 Samuël 12:13, 1 Samuël 9:3
21Saul antwoordde en sprak: Ik ben toch maar een Benjamiet, uit de kleinste stam van Israël, en mijn geslacht is het onbeduidendste onder alle geslachten van de stam Benjamin. Waarom zegt ge mij dan zo iets?
1 Samuël 15:17, 1 Samuël 15:17, Lucas 14:11, Psalmen 68:27, Efeziërs 3:8
22Nu nam Samuël Saul en zijn knecht met zich mee, en bracht ze naar een kamer, waar hij hun een plaats gaf aan het hoofd van de ongeveer dertig genodigden.
Genesis 43:32, Lucas 14:10, Genesis 43:32, Lucas 14:10
23En tot den kok zei Samuël: Dien het gerecht op, dat ik u gegeven heb, en dat ik u verzocht, apart te houden.
Genesis 43:34, 1 Samuël 1:5, Genesis 43:34, 1 Samuël 1:5
24De kok diende dus de schenkel op met wat daarbij hoort, en zette die voor Saul neer. Samuël zeide: Eet wat u wordt voorgezet; want het werd voor u bestemd, toen ik het volk voor dit feest bijeenriep. Zo at Saul die dag bij Samuël;
Leviticus 7:32, Leviticus 7:33, Leviticus 7:32, Leviticus 7:33, Ezechiël 24:4
25daarna daalden zij van de hoogte naar de stad af. Men spreidde voor Saul een bed op het terras,
Deuteronomium 22:8, Handelingen 10:9, Deuteronomium 22:8, Handelingen 10:9, 2 Samuël 11:2
26en hij ging slapen. Zodra de morgen was aangebroken, riep Samuël tot Saul, die op het terras was: Sta op, dan kan ik u uitgeleide doen. Saul stond dus op, en ging vergezeld van Samuël naar buiten.
Genesis 44:4, Jozua 7:13, Richteren 19:28, Genesis 19:14, Genesis 44:4
27Toen ze tot het einde der stad waren afgedaald, sprak Samuël tot Saul: Zeg tegen den knecht, dat hij ons vooruit moet lopen. Blijf zelf een ogenblik stil staan, dan zal ik u Gods woord verkondigen.
Johannes 15:14, Johannes 15:15, Johannes 15:14, Johannes 15:15, 2 Koningen 9:5

Andere Boeken

1 Samuël2 Samuël1 Koningen+

Andere Boeken

1 SamuëlHfst. 9
2 Samuël1 Koningen2 Koningen1 Kronieken2 Kronieken
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward