1Toen kwamen de inwoners van Kirjat-Jearim de ark van Jahweh halen; ze brachten haar in het huis van Abinadab op de heuvel, en wijdden zijn zoon Elazar, om de ark van Jahweh te bewaken.stylusPsalmen 132:6, Jesaja 52:11, 1 Kronieken 13:5, 1 Kronieken 13:7, Jozua 18:142Er verliep een geruime tijd, wel twintig jaar, sinds de ark in Kirjat-Jearim een plaats had gevonden. Toen nam heel het huis Israël zijn toevlucht tot Jahweh.stylusMattheüs 5:4, Jeremia 31:9, Jeremia 3:22, Jeremia 3:25, Richteren 2:43En Samuël sprak tot heel het huis Israël: Indien gij u met geheel uw hart tot Jahweh wilt bekeren, moet gij de vreemde goden, de Báals en de Asjtarten uit uw midden verwijderen, uw hart op Jahweh richten en Hem alleen dienen; dan zal Hij u uit de macht der Filistijnen bevrijden.stylusLucas 4:8, Lucas 4:8, Deuteronomium 13:4, Deuteronomium 13:4, Mattheüs 4:104Inderdaad verwijderden de Israëlieten de Báals en de Asjtarten, en dienden Jahweh alleen.stylusHosea 14:8, Hosea 14:8, Hosea 14:3, Hosea 14:3, Richteren 10:155Nu sprak Samuël: Laat heel Israël bijeenkomen in Mispa; dan zal ik voor u tot Jahweh bidden.stylusRichteren 20:1, Richteren 20:1, Jozua 15:38, 1 Samuël 7:16, 1 Samuël 7:126Zo kwamen ze bijeen in Mispa, schepten water en goten het uit voor het aanschijn van Jahweh, vastten die dag en beleden daar: Wij hebben tegen Jahweh gezondigd! Zo richtte Samuël de Israëlieten te Mispa.stylus1 Samuël 1:15, 2 Samuël 14:14, 1 Samuël 1:15, 2 Samuël 14:14, Richteren 10:107Toen de Filistijnen hoorden, dat de Israëlieten in Mispa bijeenwaren, trokken de Filistijnse tyrannen tegen Israël op. De Israëlieten vernamen het, en werden bevreesd voor de Filistijnen.stylus1 Samuël 17:11, 1 Samuël 17:11, 1 Samuël 13:6, 1 Samuël 13:6, Exodus 14:108En de Israëlieten zeiden tot Samuël: Houd niet op, voor ons tot Jahweh onzen God te bidden, dat Hij ons uit de macht der Filistijnen bevrijde.stylusJesaja 37:4, Jesaja 37:4, Jakobus 5:16, 1 Samuël 12:19, 1 Samuël 12:249En Samuël nam een leplammetje, en terwijl hij dat als een brandoffer aan Jahweh opdroeg, bad hij voor Israël tot Jahweh. En Jahweh verhoorde hem.stylusJeremia 15:1, Jeremia 15:1, Psalmen 99:6, Psalmen 99:6, 1 Samuël 7:1710Nog was Samuël bezig, het brandoffer op te dragen, toen de Filistijnen Israël begonnen aan te vallen. Maar Jahweh liet die dag tegen de Filistijnen zijn donder kraken, en bracht ze in verwarring, zodat ze door Israël werden verslagen.stylus1 Samuël 2:10, 1 Samuël 2:10, 1 Samuël 12:17, Jozua 10:10, Richteren 5:2011De krijgslieden van Israël zetten uit Mispa de Filistijnen achterna, en hakten tot onder Bet-Kar op hen in.stylus12Toen nam Samuël een steen, plaatste die halverwege tussen Mispa en Sjen, noemden hem: Ében-Haézer, en sprak: "Tot hier toe heeft Jahweh ons geholpen."stylus2 Korintiërs 1:10, 2 Korintiërs 1:10, Jozua 4:9, Jozua 4:9, Handelingen 26:2213Zo werden de Filistijnen vernederd en waagden het niet meer, het gebied van Israël binnen te vallen. En zolang Samuël leefde, bleef de hand van Jahweh op de Filistijnen drukken.stylusRichteren 13:1, Richteren 13:1, 1 Samuël 17:49, 1 Samuël 17:53, 1 Samuël 17:4914Ook de steden, die de Filistijnen op Israël veroverd hadden, kwamen aan Israël terug; zowel Ekron als Gat met hun omgeving bevrijdde Israël uit de macht der Filistijnen. Ook tussen Israël en de Amorieten bleef het vrede.stylusRichteren 4:17, Deuteronomium 7:16, Deuteronomium 7:2, Psalmen 106:34, Richteren 4:1715Samuël richtte Israël zolang hij leefde.stylus1 Samuël 7:6, 1 Samuël 7:6, Richteren 2:16, Handelingen 13:20, Handelingen 13:2116Elk jaar maakte hij een rondreis over Betel en Gilgal en Mispa, en op al die plaatsen sprak hij recht over Israël.stylusPsalmen 75:2, Richteren 5:10, Richteren 10:4, Psalmen 82:3, Psalmen 82:417Dan keerde hij weer naar Rama terug, want daar stond zijn huis. Daar richtte hij Israël, en bouwde er een altaar voor Jahweh.stylus1 Samuël 1:19, 1 Samuël 1:19, 1 Samuël 1:1, 1 Samuël 8:4, 1 Samuël 1:1