1Nadat met dit al de ark van Jahweh zeven maanden op Filistijnse bodem had vertoefd,stylusPsalmen 78:61, Psalmen 78:61, 1 Samuël 5:1, 1 Samuël 5:10, 1 Samuël 5:112riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers bijeen, en vroegen: Hoe moeten we doen met de ark van Jahweh; zegt ons, hoe wij ze naar haar plaats terug moeten sturen.stylusExodus 7:11, Genesis 41:8, Exodus 7:11, Genesis 41:8, Daniël 2:23Zij antwoordden: Stuurt gij de ark van Israëls God terug, dan moogt gij haar niet zo maar laten gaan, maar moet gij haar een zoenoffer brengen. Dan zult gij genezen, en zal het u duidelijk worden, waarom haar hand van u niet week.stylus1 Samuël 6:9, Deuteronomium 16:16, Exodus 23:15, 1 Samuël 6:9, Deuteronomium 16:164Ze zeiden nu: Wat voor een zoenoffer moeten we haar brengen? Ze antwoordden: Naar het aantal van de Filistijnse tyrannen: vijf gouden aambeien en vijf gouden muizen, want dezelfde plaag heeft allen getroffen, volk zowel als tyrannen.stylusJozua 13:3, 1 Samuël 6:17, 1 Samuël 6:18, Richteren 3:3, Jozua 13:35Gij moet dus afbeeldingen maken van uw aambeien en afbeeldingen van uw muizen, die het land verpesten; zo zult ge hulde brengen aan Israëls God. Misschien trekt Hij dan zijn hand van u terug, en van uw goden en uw land.stylusJozua 7:19, Jozua 7:19, 1 Samuël 5:6, 1 Samuël 5:7, 1 Samuël 5:116Waarom zoudt ge u blijven verzetten, evenals de Egyptenaren en Farao dit hebben gedaan? Ze moesten hen toch laten gaan, zodra Hij zijn spel met hen begon te drijven.stylusExodus 8:15, Exodus 7:13, Exodus 14:17, Exodus 8:15, Exodus 7:137Maakt dus een nieuwe wagen, haalt twee zogende koeien, die nog geen juk gedragen hebben, spant de koeien voor de wagen, en laat haar jongen op stal.stylusNumeri 19:2, 2 Samuël 6:3, Numeri 19:2, 2 Samuël 6:3, 1 Kronieken 13:78Dan moet gij de ark van Jahweh nemen en haar op de wagen zetten, en de gouden voorwerpen, welke ge haar als zoenoffer brengt, in een kistje naast haar neerleggen. Laat de ark dan maar gaan,stylus1 Samuël 6:3, 1 Samuël 6:5, 1 Samuël 6:3, 1 Samuël 6:59en let op! Als zij de weg naar haar eigen land inslaat, naar Bet-Sjémesj, dan is zij het, die ons die vreselijke ramp heeft bezorgd; zo niet, dan weten we tenminste, dat niet haar hand ons het leed heeft berokkend, maar dat het ons bij toeval trof.stylusJozua 15:10, Jozua 15:10, Jozua 21:16, 1 Samuël 6:3, 2 Samuël 1:610De mensen deden aldus. Ze haalden twee zogende koeien en spanden die voor de wagen, terwijl ze haar jongen op stal hielden.stylus11Ze laadden de ark van Jahweh op de wagen, eveneens het kistje met de gouden muizen en de afbeeldingen van hun gezwellen.stylus1 Kronieken 15:13, 1 Kronieken 15:15, 1 Kronieken 15:13, 1 Kronieken 15:15, 2 Samuël 6:312De koeien liepen recht voor zich uit in de richting van Bet-Sjémesj; al loeiend liepen ze altijd rechtdoor, zonder naar rechts of links af te wijken. De tyrannen der Filistijnen bleven ze volgen tot aan het grondgebied van Bet-Sjémesj.stylusNumeri 20:19, Numeri 20:1913De inwoners van Bet-Sjémesj waren juist bezig met het binnenhalen van de tarweoogst in de vallei. Toen ze opkeken en de ark bemerkten, liepen ze haar verheugd tegemoet.stylus14Op de akker van Jehosjóea, een inwoner van Bet-Sjémesj aangekomen, bleef de wagen stilstaan, en omdat zich daar een grote steen bevond, hakte men de planken van de wagen aan stukken en droeg de koeien als een brandoffer aan Jahweh op.stylus2 Samuël 24:22, 2 Samuël 24:22, Richteren 21:4, Richteren 21:4, Exodus 20:2415Het waren de levieten, die de ark van Jahweh en het bijbehorend kistje met de gouden voorwerpen aflaadden en op de grote steen plaatsten; en de bevolking van Bet-Sjémesj bracht die dag brandoffers en slachtoffers aan Jahweh.stylusJozua 3:3, Jozua 3:316Toen de vijf tyrannen der Filistijnen het gezien hadden, keerden ze diezelfde dag naar Ekron terug.stylusRichteren 3:3, 1 Samuël 6:4, Jozua 13:3, Richteren 3:3, 1 Samuël 6:417Hier volgt een lijst van de gouden aambeien, die de Filistijnen als zoenoffer aan Jahweh hadden meegegeven: één van Asjdod, één van Gaza, één van Asjkelon, één van Gat en één van Ekron.stylus2 Samuël 1:20, 2 Samuël 1:20, 2 Koningen 1:2, Zacharia 9:5, Zacharia 9:618Het getal der gouden muizen beantwoordde aan dat der Filistijnse steden, die aan de vijf tyrannen onderhorig waren, vestingen zowel als boerendorpen. De getuige ervan, de grote steen, waarop men de ark van Jahweh neerliet, bevindt zich vandaag nog op de akker van Jehosjóea, den Bet-Sjemiet.stylusDeuteronomium 3:5, 1 Samuël 6:14, 1 Samuël 6:16, Jozua 13:3, Deuteronomium 3:519Maar de zonen van Jekonja hadden zich niet met de inwoners van Bet-Sjémesj verheugd, toen zij de ark van Jahweh aanschouwden. Daarom doodde Hij van hen zeventig man, zodat de bevolking in rouw was gedompeld, omdat Jahweh zulk een vreselijke slag onder het volk had aangericht.stylusNumeri 4:20, Numeri 4:20, Exodus 19:21, Exodus 19:21, Numeri 4:1520En de inwoners van Bet-Sjémesj zeiden: Wie kan het bestaan voor Jahweh, dien heiligen God; naar wien moet Hij nu heen?stylus2 Samuël 6:9, Maleachi 3:2, 2 Samuël 6:9, Maleachi 3:2, Openbaring 6:1721Toen zonden ze boden naar de bewoners van Kirjat-Jearim met de uitnodiging: De Filistijnen hebben de ark van Jahweh teruggebracht. Komt, en vervoert ze naar u.stylus1 Kronieken 13:5, 1 Kronieken 13:6, 1 Kronieken 13:5, 1 Kronieken 13:6, Jozua 18:14