1Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.stylusJozua 3:16, Numeri 32:19, Numeri 34:15, Deuteronomium 1:5, Deuteronomium 34:12Toen Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israël aan de Amorieten gedaan had;stylusRichteren 11:25, Richteren 11:25, Numeri 21:20, Numeri 21:35, Numeri 21:203Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht dezes volks, want het was veel; en Moab was beangstigd voor het aangezicht van de kinderen Israëls.stylusExodus 15:15, Exodus 15:15, Jesaja 23:5, Jesaja 23:5, Jozua 2:104Derhalve zeide Moab tot de oudsten der Midianieten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os de groente des velds oplikt. Te dier tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning der Moabieten.stylusNumeri 25:15, Numeri 25:18, Numeri 31:8, Numeri 25:15, Numeri 25:185Die zond boden aan Bileam, den zoon van Beor, te Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht des lands bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.stylusDeuteronomium 23:4, Deuteronomium 23:4, Micha 6:5, Jozua 24:9, Micha 6:56En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of het uit het land verdrijven; want ik weet, dat, wien gij zegent, die zal gezegend zijn, en wien gij vervloekt, die zal vervloekt zijn.stylusNumeri 24:9, Numeri 24:9, Numeri 23:7, Numeri 23:8, Numeri 23:77Toen gingen de oudsten der Moabieten, en de oudsten der Midianieten, en hadden het loon der waarzeggingen in hun hand; alzo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem de woorden van Balak.stylus1 Samuël 9:7, 1 Samuël 9:8, Micha 3:11, 1 Samuël 9:7, 1 Samuël 9:88Hij dan zeide tot hen: Vernacht hier dezen nacht, zo zal ik ulieden een antwoord wederbrengen, gelijk als de Heere tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorsten der Moabieten bij Bileam.stylusNumeri 22:19, Numeri 22:20, Ezechiël 33:31, Numeri 12:6, Numeri 23:129En God kwam tot Bileam en zeide: Wie zijn die mannen, die bij u zijn?stylusGenesis 20:3, Genesis 20:3, Numeri 22:20, Numeri 22:20, Genesis 41:2510Toen zeide Bileam tot God: Balak, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, heeft hen tot mij gezonden, zeggende:stylus11Zie, er is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht des lands bedekt; kom nu, vervloek het mij; misschien zal ik tegen hetzelve kunnen strijden, of het uitdrijven.stylus12Toen zeide God tot Bileam: Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend.stylusDeuteronomium 23:5, Efeziërs 1:3, Deuteronomium 23:5, Efeziërs 1:3, Romeinen 11:2913Toen stond Bileam des morgens op, en zeide tot de vorsten van Balak: Gaat naar uw land; want de Heere weigert mij toe te laten met ulieden te gaan.stylusDeuteronomium 23:5, Numeri 22:14, Deuteronomium 23:5, Numeri 22:1414Zo stonden dan de vorsten der Moabieten op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan.stylusNumeri 22:37, Numeri 22:13, Numeri 22:37, Numeri 22:1315Doch Balak voer nog voort vorsten te zenden, meer en eerlijker, dan die waren;stylusHandelingen 10:7, Handelingen 10:8, Numeri 22:7, Numeri 22:8, Handelingen 10:716Die tot Bileam kwamen, en hem zeiden: Alzo zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u toch niet beletten tot mij te komen!stylus17Want ik zal u zeer hoog vereren, en al wat gij tot mij zeggen zult, dat zal ik doen; zo kom toch, vervloek mij dit volk!stylusNumeri 24:11, Numeri 24:11, Esther 5:11, Deuteronomium 16:9, Numeri 22:618Toen antwoordde Bileam, en zeide tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel des Heeren mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.stylusNumeri 24:13, Numeri 24:13, 1 Koningen 22:14, 2 Kronieken 18:13, 1 Koningen 22:1419En nu, blijft gijlieden toch ook hier dezen nacht, opdat ik wete, wat de Heere tot mij verder spreken zal.stylusJudas 1:11, Judas 1:11, 1 Timotheüs 6:9, 1 Timotheüs 6:10, 2 Petrus 2:320God nu kwam tot Bileam des nachts, en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn, om u te roepen, sta op, ga met hen; en nochtans zult gij dat doen, hetwelk Ik tot u spreken zal.stylusNumeri 24:13, Numeri 23:12, Numeri 23:26, Numeri 24:13, Numeri 23:1221Toen stond Bileam des morgens op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab.stylusSpreuken 1:15, Spreuken 1:16, Spreuken 1:15, Spreuken 1:1622Doch de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentoog; en de Engel des Heeren stelde Zich in den weg, hem tot een tegenpartij; hij reed nu op zijn ezelin, en twee zijner jongeren waren bij hem.stylusNumeri 22:32, Exodus 4:24, Numeri 22:32, Exodus 4:24, Klaagliederen 2:423De ezelin nu zag den Engel des Heeren staande in den weg, met Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom week de ezelin uit den weg, en ging in het veld. Toen sloeg Bileam de ezelin, om dezelve naar den weg te doen wenden.stylusJudas 1:11, Judas 1:11, 1 Korintiërs 1:27, 1 Korintiërs 1:29, 2 Petrus 2:1624Maar de Engel des Heeren stond in een pad der wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en een muur aan gene zijde.stylus25Toen de ezelin den Engel des Heeren zag, zo klemde zij zichzelve aan den wand, en klemde Bileams voet aan den wand; daarom voer hij voort haar te slaan.stylusJob 5:13, Job 5:15, Jesaja 47:12, Job 5:13, Job 5:1526Toen ging de Engel des Heeren noch verder, en Hij stond in een enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechter hand noch ter linkerhand.stylusHosea 2:6, Jesaja 26:11, Hosea 2:6, Jesaja 26:1127Als de ezelin den Engel des Heeren zag, zo leide zij zich neder onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok.stylusSpreuken 14:16, Spreuken 14:16, Jakobus 1:19, Jakobus 1:19, Spreuken 27:328De Heere nu opende den mond der ezelin, die tot Bileam zeide: Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt?stylus2 Petrus 2:16, 2 Petrus 2:16, Lucas 1:37, Lucas 1:37, Exodus 4:1129Toen zeide Bileam tot de ezelin: Omdat gij mij bespot hebt; och, of ik een zwaard in mijn hand had! want ik zoude u nu doden.stylusSpreuken 12:10, Spreuken 12:10, Mattheüs 15:19, Mattheüs 15:19, Spreuken 12:1630De ezelin nu zeide tot Bileam: Ben ik niet uw ezelin, op welke gij gereden hebt van toen af, dat gij mijn heer geweest zijt, tot op dezen dag? Ben ik ooit gewend geweest u alzo te doen? Hij dan zeide: Neen!stylus2 Petrus 2:16, 2 Petrus 2:16, 1 Korintiërs 1:27, 1 Korintiërs 1:28, 1 Korintiërs 1:2731Toen ontdekte de Heere de ogen van Bileam, zodat hij den Engel des Heeren zag, staande in den weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht.stylusGenesis 21:19, Genesis 21:19, Handelingen 26:18, Lucas 24:16, Lucas 24:3132Toen zeide de Engel des Heeren tot hem: Waarom hebt gij uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenpartij, dewijl deze weg van Mij afwijkt.stylusSpreuken 28:18, Numeri 22:22, Handelingen 13:10, Spreuken 28:18, Numeri 22:2233Maar de ezelin heeft Mij gezien, en zij is nu driemaal voor Mijn aangezicht geweken; indien zij voor Mijn aangezicht niet geweken ware, zekerlijk Ik zoude u nu ook gedood, en haar bij het leven behouden hebben.stylus1 Koningen 13:24, 1 Koningen 13:28, Numeri 16:33, Numeri 16:35, Numeri 14:3734Toen zeide Bileam tot den Engel des Heeren: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat Gij mij tegemoet op dezen weg stond; en nu, is het kwaad in Uw ogen, ik zal wederkeren.stylusJob 34:31, Job 34:32, Job 34:31, Job 34:32, 2 Samuël 12:1335De Engel des Heeren nu zeide tot Bileam: Ga heen met deze mannen; maar alleenlijk dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken. Alzo toog Bileam met de vorsten van Balak.stylusJesaja 37:26, Jesaja 37:29, Numeri 22:20, Numeri 22:21, Psalmen 81:1236Als Balak hoorde, dat Bileam kwam, zo ging hij uit, hem tegemoet, tot de stad der Moabieten, welke aan de landpale van de Arnon ligt, die aan het uiterste der landpale is.stylusHandelingen 28:15, Jesaja 16:2, Jeremia 48:20, Handelingen 28:15, Jesaja 16:237En Balak zeide tot Bileam: Heb ik niet ernstiglijk tot u gezonden, om u te roepen? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren?stylusNumeri 24:11, Numeri 24:11, Johannes 5:44, Johannes 5:44, Lucas 4:638Toen zeide Bileam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu enigszins iets kunnen spreken? Het woord, hetwelk God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken.stylusSpreuken 19:21, Numeri 22:18, Spreuken 19:21, Numeri 22:18, Numeri 23:1639En Bileam ging met Balak; en zij kwamen te Kirjath-huzzoth.stylus40Toen slachtte Balak runderen en schapen; en hij zond aan Bileam, en aan de vorsten, die bij hem waren.stylusNumeri 23:14, Numeri 23:14, Spreuken 1:16, Spreuken 1:16, Genesis 31:5441En het geschiedde des morgens, dat Balak Bileam nam, en voerde hem op de hoogten van Baäl, dat hij van daar zag het uiterste des volks.stylusNumeri 23:13, Numeri 23:13, 2 Kronieken 11:15, Deuteronomium 12:2, Numeri 25:2