1Als de Kanaäniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israël door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israël, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.stylusNumeri 33:40, Richteren 1:16, Numeri 33:40, Richteren 1:16, Jozua 12:142Toen beloofde Israël den Heere een gelofte, en zeide: Indiën Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.stylusRichteren 11:30, Genesis 28:20, Richteren 11:30, Genesis 28:20, Jozua 6:263De Heere dan verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaänieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.stylusNumeri 14:45, Numeri 14:45, Deuteronomium 1:44, Deuteronomium 1:44, 1 Samuël 30:304Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.stylusExodus 6:9, Exodus 6:9, Richteren 11:18, Richteren 11:18, Numeri 32:75En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.stylusPsalmen 78:19, Psalmen 78:19, Numeri 16:41, Exodus 17:2, Exodus 17:36Toen zond de Heere vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël.stylus1 Korintiërs 10:9, 1 Korintiërs 10:9, Jeremia 8:17, Jeremia 8:17, Deuteronomium 8:157Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den Heere en tegen u gesproken hebben; bid den Heere, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.stylusHandelingen 8:24, Handelingen 8:24, Psalmen 78:34, Numeri 11:2, Exodus 8:88En de Heere zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.stylusJohannes 3:14, Johannes 3:14, Psalmen 106:43, Psalmen 106:45, Psalmen 106:439En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.stylusJohannes 3:14, Johannes 3:15, Johannes 3:14, Johannes 3:15, Hebreeën 12:210Toen verreisden de kinderen Israëls, en zij legerden zich te Oboth.stylusNumeri 33:43, Numeri 33:45, Numeri 33:43, Numeri 33:4511Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.stylus12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.stylusDeuteronomium 2:13, Deuteronomium 2:14, Deuteronomium 2:13, Deuteronomium 2:1413Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.stylusNumeri 22:36, Richteren 11:18, Numeri 22:36, Richteren 11:18, Jeremia 48:2014(Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des Heeren: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,stylusJozua 10:13, 2 Samuël 1:18, Jozua 10:13, 2 Samuël 1:1815En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)stylusDeuteronomium 2:9, Numeri 21:28, Deuteronomium 2:18, Deuteronomium 2:9, Numeri 21:2816En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de Heere tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.stylusNumeri 20:8, Numeri 20:8, Jesaja 12:3, Jesaja 41:17, Jesaja 41:1817(Toen zong Israël dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte!stylusRichteren 5:1, Jesaja 12:5, Psalmen 105:2, Psalmen 106:12, Jesaja 12:118Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;stylusJesaja 33:22, Jesaja 33:22, 1 Timotheüs 6:17, 1 Timotheüs 6:18, Deuteronomium 33:419En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth;stylus20En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.stylusNumeri 23:28, Numeri 23:28, Numeri 23:14, Numeri 26:63, Deuteronomium 1:521Toen zond Israël boden tot Sihon, den koning der Amorieten, zeggende:stylusDeuteronomium 2:26, Deuteronomium 2:28, Richteren 11:19, Richteren 11:21, Deuteronomium 2:2622Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.stylusNumeri 20:17, Numeri 20:1723Doch Sihon liet Israël niet toe, door zijn landpale door te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israël;stylusRichteren 11:20, Richteren 11:20, Deuteronomium 29:7, Deuteronomium 29:8, Deuteronomium 29:724Maar Israël sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.stylusAmos 2:9, Amos 2:9, Genesis 32:22, Psalmen 136:19, Nehemia 9:2225Alzo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.stylusNumeri 21:31, Jeremia 48:45, Jesaja 16:8, Jesaja 16:9, Deuteronomium 2:1226Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.stylus27Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!stylusHabakuk 2:6, Jesaja 14:4, Numeri 21:14, Habakuk 2:6, Jesaja 14:428Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.stylusNumeri 21:15, Numeri 21:15, Jeremia 48:45, Jeremia 48:46, Jeremia 48:4529Wee u, Moab! Gij, volk Kamoz zijt verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten.stylusJeremia 48:46, Richteren 11:24, 2 Koningen 23:13, Jeremia 48:46, Richteren 11:2430En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Medeba toe reikt.stylusJesaja 15:2, Jeremia 48:18, Jesaja 15:2, Jeremia 48:18, Jeremia 48:2231Alzo woonde Israël in het land van den Amoriet.stylusJozua 12:1, Jozua 12:6, Deuteronomium 3:16, Deuteronomium 3:17, Numeri 32:3332Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting .stylusJeremia 48:32, Numeri 32:1, Jeremia 48:32, Numeri 32:1, Numeri 32:3533Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei.stylusJozua 13:12, Jozua 13:12, Deuteronomium 1:4, Deuteronomium 29:7, Deuteronomium 1:434De Heere nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.stylusDeuteronomium 3:2, Deuteronomium 3:3, Jozua 8:7, Numeri 21:24, Numeri 21:2535En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.stylusDeuteronomium 3:3, Deuteronomium 3:17, Jozua 13:12, Psalmen 135:10, Psalmen 135:12