Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Numeri Hoofdstuk 20

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
NUMERI

Numeri 20

1Als de kinderen Israëls, de ganse vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven.
Numeri 13:21, Numeri 13:21, Exodus 15:20, Numeri 33:36, Exodus 15:20
2En er was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron.
Numeri 16:19, Numeri 16:19, Numeri 16:42, Numeri 16:42, Exodus 15:23
3En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of of wij den geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des Heeren den geest gaven!
Exodus 17:2, Exodus 17:2, Numeri 16:31, Numeri 16:35, Numeri 14:1
4Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des Heeren in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?
Exodus 17:3, Exodus 17:3, Exodus 5:21, Numeri 11:5, Psalmen 106:21
5En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken.
Numeri 16:14, Numeri 16:14, Jeremia 2:6, Ezechiël 20:36, Deuteronomium 8:15
6Toen gingen Mozes en Aäron van het aangezicht der gemeente tot de deur van de tent der samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid des Heeren verscheen hun.
Numeri 14:5, Numeri 14:5, Numeri 16:22, Numeri 16:4, Numeri 16:19
7En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:
8Neem dien staf, en verzamel de vergadering, gij en Aäron, uw broeder, en spreekt gijlieden tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; alzo zult gij hun water voortbrengen uit de steenrots, en gij zult de vergadering en haar beesten drenken.
Exodus 4:17, Exodus 4:17, Exodus 17:5, Exodus 17:6, Exodus 17:5
9Toen nam Mozes den staf van voor het aangezicht des Heeren, gelijk als Hij hem geboden had.
Numeri 17:10, Numeri 17:10
10En Mozes en Aäron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?
Psalmen 106:32, Psalmen 106:33, Psalmen 106:32, Psalmen 106:33, Deuteronomium 9:24
11Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.
1 Korintiërs 10:4, 1 Korintiërs 10:4, Exodus 17:6, Exodus 17:6, Deuteronomium 8:15
12Derhalve zeide de Heere tot Mozes en tot Aäron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israël, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.
Deuteronomium 1:37, Deuteronomium 1:37, Ezechiël 36:23, Ezechiël 36:23, Numeri 27:14
13Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen Israëls met den Heere om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.
Exodus 17:7, Psalmen 95:8, Exodus 17:7, Psalmen 95:8, Deuteronomium 33:8
14Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israël: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is;
Richteren 11:16, Richteren 11:17, Richteren 11:16, Richteren 11:17, Deuteronomium 23:7
15Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.
Deuteronomium 26:6, Exodus 12:40, Genesis 46:6, Deuteronomium 26:6, Exodus 12:40
16Toen riepen wij tot den Heere, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.
Exodus 14:19, Exodus 14:19, Exodus 23:20, Exodus 33:2, Exodus 23:20
17Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechter hand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.
Deuteronomium 2:27, Deuteronomium 2:27, Numeri 21:1, Numeri 21:22, Numeri 21:24
18Doch Edom zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet!
19Toen zeiden de kinderen Israëls tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken.
Deuteronomium 2:28, Deuteronomium 2:28, Deuteronomium 2:6, Deuteronomium 2:6, Exodus 12:38
20Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand.
Amos 1:11, Richteren 11:17, Amos 1:11, Richteren 11:17, Richteren 11:20
21Alzo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af.
Richteren 11:18, Richteren 11:18, Deuteronomium 2:29, Deuteronomium 2:29, Deuteronomium 2:4
22Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israëls kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.
Numeri 20:14, Numeri 20:1, Numeri 21:4, Numeri 20:14, Numeri 20:1
23De Heere nu sprak tot Mozes, en tot Aäron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:
Numeri 33:37, Numeri 33:37
24Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israëls gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba.
Genesis 25:8, Genesis 25:8, Deuteronomium 32:50, Deuteronomium 32:50, 2 Kronieken 34:28
25Neem Aäron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.
Numeri 33:38, Numeri 33:39, Numeri 33:38, Numeri 33:39
26En trek Aäron zijn klederen uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aäron zal verzameld worden, en daar sterven.
Numeri 20:24, Numeri 20:24, Exodus 29:29, Exodus 29:30, Hebreeën 7:23
27Mozes nu deed, gelijk als de Heere geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.
28En Mozes trok Aäron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien berg af.
Deuteronomium 10:6, Deuteronomium 10:6, Exodus 29:29, Exodus 29:30, Exodus 29:29
29Toen de ganse vergadering zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het ganse huis van Israël.
Deuteronomium 34:8, Deuteronomium 34:8, Handelingen 8:2, 2 Kronieken 35:24, 2 Kronieken 35:25

Andere Boeken

NumeriDeuteronomiumJozua+

Andere Boeken

NumeriHfst. 20
DeuteronomiumJozuaRichterenRuth1 Samuël
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward