1Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende:stylus2Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de Heere geboden heeft, zeggende:stylus3Een ieder van het huis Israëls, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger;stylusDeuteronomium 12:20, Deuteronomium 12:22, Leviticus 17:8, Deuteronomium 12:26, Deuteronomium 12:274En dezelve aan de deur van de tent der samenkomst niet brengen zal, om een offerande den Heere voor den tabernakel des Heeren te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelve man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden;stylusJesaja 66:3, Johannes 10:9, Ezechiël 20:40, Johannes 10:7, Deuteronomium 12:55Opdat, wanneer de kinderen Israëls hun slachtofferen brengen, welke zij op het veld slachten, dat zij die den Heere toebrengen, aan de deur van de tent der samenkomst tot den priester, en dezelve tot dankofferen den Heere slachten.stylus2 Koningen 17:10, Ezechiël 20:28, Genesis 22:2, Exodus 24:5, Leviticus 7:116En de priester zal het bloed op het altaar des Heeren, aan de deur van de tent der samenkomst, sprengen; en hij zal het vet aansteken, tot een liefelijken reuk den Heere.stylusNumeri 18:17, Numeri 18:17, Leviticus 3:2, Leviticus 3:2, Leviticus 3:137En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen den duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.stylus1 Korintiërs 10:20, 1 Korintiërs 10:20, Exodus 34:15, Exodus 34:15, Deuteronomium 32:178Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis Israëls, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren,stylusLeviticus 1:2, Leviticus 1:3, Leviticus 1:2, Leviticus 1:3, Maleachi 1:119En dat tot de deur van de tent der samenkomst niet zal brengen, om hetzelve den Heere te bereiden; diezelve man zal uit zijn volken uitgeroeid worden.stylusLeviticus 17:4, Leviticus 17:410En een ieder uit het huis Israëls, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.stylusLeviticus 17:11, Leviticus 17:11, Deuteronomium 12:16, Leviticus 3:17, Deuteronomium 12:2311Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.stylusHebreeën 9:22, Hebreeën 9:22, 1 Johannes 1:7, 1 Johannes 1:7, Romeinen 3:2512Daarom heb Ik tot de kinderen Israëls gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten.stylusExodus 12:49, Exodus 12:4913Een ieder ook van de kinderen Israëls en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal deszelfs bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken.stylusDeuteronomium 12:16, Deuteronomium 12:16, Ezechiël 24:7, Deuteronomium 15:23, Leviticus 7:2614Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de kinderen Israëls gezegd: Gij zult geens vleses bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden.stylusGenesis 9:4, Genesis 9:4, Deuteronomium 12:23, Deuteronomium 12:23, Leviticus 17:1115En alle ziel onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal hij rein zijn.stylusExodus 22:31, Leviticus 22:8, Deuteronomium 14:21, Exodus 22:31, Leviticus 22:816Maar indien hij die niet wast, en zijn vlees niet baadt, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.stylusLeviticus 5:1, Leviticus 5:1, Numeri 19:19, Numeri 19:20, Leviticus 20:19