1Verder sprak de Heere tot Mozes en tot Aäron, zeggende:stylus2Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag der melaatsheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesteren, gebracht worden.stylusDeuteronomium 24:8, Deuteronomium 24:8, Leviticus 14:56, Leviticus 14:56, Leviticus 14:33En de priester zal de plaag in het vel des vleses bezien; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien der plaag dieper is dan het vel zijns vleses, het is de plaag der melaatsheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.stylusRomeinen 3:19, Romeinen 3:20, Romeinen 3:19, Romeinen 3:20, Romeinen 7:74Maar zo de blaar in het vel zijn vleses wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten.stylusNumeri 12:15, Numeri 12:15, Deuteronomium 13:14, 1 Korintiërs 4:5, 1 Timotheüs 5:245Daarna zal de priester op den zevenden dag hem bezien; indien, ziet, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten.stylus6En de priester zal hem andermaal op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn klederen wassen, zo is hij rein.stylusLeviticus 11:25, Leviticus 11:25, Leviticus 14:8, Leviticus 14:8, 1 Koningen 8:457Maar zo de verzwering in het vel ganselijk uitgespreid is, nadat hij aan den priester tot zijn reiniging zal vertoond zijn, zo zal hij andermaal aan den priester vertoond worden.stylusPsalmen 38:3, 2 Timotheüs 2:16, 2 Timotheüs 2:17, Leviticus 13:27, Leviticus 13:358Indiën de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het vel uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.stylus2 Petrus 2:19, Leviticus 13:3, Filippenzen 3:18, Filippenzen 3:19, Handelingen 8:219Wanneer de plaag der melaatsheid in een mens zal zijn, zo zal hij tot den priester gebracht worden.stylus10Indiën de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in het vel is, hetwelk het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vlees in dat gezwel is;stylus2 Koningen 5:27, 2 Koningen 5:27, 2 Kronieken 26:19, 2 Kronieken 26:20, 2 Kronieken 26:1911Dat is een verouderde melaatsheid in het vel zijns vleses; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein.stylus12En zo de melaatsheid in het vel ganselijk uitbot, en de melaatsheid het gehele vel desgenen, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, naar al het gezicht van de ogen des priesters;stylus1 Koningen 8:38, 1 Johannes 1:8, 1 Johannes 1:10, Job 40:4, Job 42:613En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.stylusJohannes 9:41, Johannes 9:41, Jesaja 64:6, Jesaja 64:614Maar ten welken dage levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn.stylus15Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid.stylus16Of als dat levende vlees verkeert, en in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot den priester komen.stylus1 Timotheüs 1:13, 1 Timotheüs 1:15, Filippenzen 3:6, Filippenzen 3:8, Romeinen 7:1417Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein.stylus18Het vlees ook, als in deszelfs vel een zweer zal geweest zijn, zo het genezen is;stylusExodus 9:9, Exodus 9:9, Psalmen 38:3, Psalmen 38:7, 2 Koningen 20:719En in de plaats van die zweer een wit gezwel, of een witte roodachtige blaar worden zal, zo zal het aan den priester vertoond worden.stylusLeviticus 13:24, Leviticus 13:2420Indiën de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan het vel, en derzelver haar in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot.stylusLeviticus 13:3, Johannes 5:14, 2 Petrus 2:20, Mattheüs 12:45, Leviticus 13:321Wanneer nu de priester die bezien zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.stylus1 Korintiërs 5:5, 1 Korintiërs 5:522Zo zij daarna gans in het vel uitgespreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag.stylus23Maar indien de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de roof van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren;stylus2 Korintiërs 2:7, Galaten 6:1, Spreuken 28:13, Mattheüs 26:75, Genesis 38:2624Of wanneer in het vel des vleses een vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van dien brand een witte roodachtige of witte blaar is;stylusJesaja 3:24, Jesaja 3:2425En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan het vel; het is melaatsheid, door den brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.stylusLeviticus 13:18, Leviticus 13:20, Leviticus 13:4, Leviticus 13:18, Leviticus 13:2026Maar indien de priester die merken zal, dat, ziet, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.stylusLeviticus 13:23, Leviticus 13:4, Leviticus 13:5, Leviticus 13:23, Leviticus 13:427Daarna zal de priester hem op den zevenden dag bezien; indien zij gans uitgespreid is in het vel, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.stylus28Maar indien de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in het vel uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van den brand; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is de roof van den brand.stylus29Verder, als in een man of vrouw een plaag zal zijn in het hoofd, of in den baard;stylusHandelingen 22:3, Handelingen 22:4, Johannes 16:2, Johannes 16:3, 1 Koningen 12:2830En de priester de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan het vel, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurftheid, het is melaatsheid van het hoofd of van den baard.stylusLeviticus 13:34, Leviticus 13:37, Leviticus 14:54, Leviticus 13:34, Leviticus 13:3731Maar als de priester de plaag der schurftheid zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan het vel, en geen zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag der schurftheid heeft, zeven dagen doen opsluiten.stylus32Daarna zal de priester die plaag op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de schurftheid niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien der schurftheid dieper dan het vel is;stylusRomeinen 2:23, Mattheüs 23:5, Leviticus 13:30, Lucas 18:9, Lucas 18:1233Zo zal hij zich scheren laten; maar de schurftheid zal hij niet scheren; en de priester zal hem, die de schurftheid heeft, andermaal zeven dagen doen opsluiten.stylus34Daarna zal de priester die schurftheid op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de schurftheid in het vel niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijn klederen wassen, en rein zijn.stylusJudas 1:22, Openbaring 2:2, 1 Johannes 4:1, Judas 1:22, Openbaring 2:235Maar indien de schurftheid in het vel gans uitgespreid is, na zijn reiniging;stylus2 Timotheüs 2:16, 2 Timotheüs 2:17, 2 Timotheüs 3:13, Leviticus 13:7, Leviticus 13:2736En de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, de schurftheid in het vel uitgespreid is, de priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken; hij is onrein.stylus37Maar indien die schurftheid, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is, die schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren.stylus38Verder als een man, of vrouw, aan het vel van hun vlees blaren zullen hebben, witte blaren;stylus39En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in het vel van hun vlees zijn; het is een witte puist in het vel uitgebot, hij is rein.stylusRomeinen 7:22, Romeinen 7:25, Jakobus 3:2, Prediker 7:20, Romeinen 7:2240En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein.stylusGalaten 4:13, Galaten 4:13, Hooglied 5:11, Amos 8:10, Romeinen 8:1041En zo van de zijde zijns aangezichts het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.stylus42Maar zo in de kaalheid, of in de blesse, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbottende in zijn kaalheid, of in zijn blesse.stylus43Als de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, het gezwel van die plaag in zijn kaalheid, of blesse, wit roodachtig is, gelijk het aanzien der melaatsheid van het vel des vleses;stylus44Die man is melaats, hij is onrein; de priester zal hem ganselijk onrein verklaren, zijn plaag is op zijn hoofd.stylus2 Petrus 2:1, 2 Petrus 2:2, Jesaja 1:5, Job 36:14, Mattheüs 6:2345Voorts zullen de klederen des melaatsen, in wien die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!stylusMicha 3:7, Leviticus 10:6, Micha 3:7, Leviticus 10:6, Ezechiël 24:1746Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.stylus2 Koningen 7:3, 2 Koningen 7:3, 2 Koningen 15:5, 2 Koningen 15:5, 2 Kronieken 26:2147Verder als aan een kleed de plaag der melaatsheid zal zijn, aan een wollen kleed, of aan een linnen kleed,stylusJudas 1:23, Judas 1:23, Jesaja 59:6, Ezechiël 16:16, Efeziërs 4:2248Of aan den scheerdraad, of aan den inslag van linnen, of van wol, of aan vel, of aan enig vellenwerk;stylusOpenbaring 3:4, Leviticus 13:51, Deuteronomium 8:11, Judas 1:23, Openbaring 3:449En die plaag aan het kleed, of aan het vel, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig, groenachtig of roodachtig is; het is de plaag der melaatsheid; daarom zal zij den priester vertoond worden.stylus50En de priester zal de plaag bezien; en hij zal hetgeen de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten.stylusEzechiël 44:23, Ezechiël 44:2351Daarna zal hij op den zevenden dag de plaag bezien; zo de plaag uitgespreid is aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan het vel, tot wat werk dat vel zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een knagende melaatsheid, het is onrein.stylusLeviticus 14:44, Leviticus 14:4452Daarom zal hij dat kleed, of die werpte, of dien inslag van wol, of van linnen, of alle vellentuig, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een knagende melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden.stylusJesaja 30:22, Leviticus 11:33, Leviticus 11:35, Handelingen 19:19, Handelingen 19:2053Doch indien de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig niet uitgespreid is;stylus54Zo zal de priester gebieden, dat men hetgeen, waaraan die plaag is, wasse, en hij zal dat andermaal zeven dagen doen opsluiten.stylus55Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, gij zult het met vuur verbranden; het is een ingraving aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde.stylus2 Petrus 1:9, Ezechiël 24:13, 2 Petrus 2:20, 2 Petrus 2:22, Hebreeën 6:456Indiën nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van het vel, of van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren.stylus57Maar zo zij nog aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig, gezien wordt, het is uitbottende melaatsheid; gij zult hetgeen, waaraan de plaag is, met vuur verbranden.stylusMattheüs 25:41, Mattheüs 22:7, Openbaring 21:27, Openbaring 21:8, Jesaja 33:1458Maar het kleed, of de werpte, of de inslag, of alle vellentuig, dat gij gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewassen worden, en het zal rein zijn.stylusOpenbaring 1:5, 2 Korintiërs 7:1, 2 Koningen 5:14, 2 Koningen 5:10, 2 Korintiërs 12:859Dit is de wet van de plaag der melaatsheid, van een wollen of linnen kleed, of een werpte, of een inslag, of alle vellentuig, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren.stylus