1Daarna zeide de Heere tot Mozes: Ga in tot Farao, en spreek tot hem: Alzo zegt de Heere, de God der Hebreën: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene.stylusExodus 8:1, Exodus 8:1, Exodus 10:3, Exodus 10:3, Exodus 8:202Want zo gij hen weigert te laten trekken, en gij hen nog met geweld ophoudt,stylusExodus 8:2, Exodus 8:2, Psalmen 7:11, Psalmen 7:12, Romeinen 2:83Zie, de hand des Heeren zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kemelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie.stylusExodus 7:4, Exodus 7:4, Handelingen 13:11, Handelingen 13:11, Exodus 5:34En de Heere zal een afzondering maken tussen het vee der Israëlieten, en tussen het vee der Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de kinderen Israëls is.stylusExodus 8:22, Exodus 8:22, Maleachi 3:18, Exodus 12:13, Exodus 10:235En de Heere bestemde een zekeren tijd, zeggende: Morgen zal de Heere deze zaak in dit land doen.stylusExodus 8:23, Exodus 8:23, Job 24:1, Jeremia 28:16, Jeremia 28:176En de Heere deed deze zaak des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf; maar van het vee der kinderen Israëls stierf niet een.stylusPsalmen 78:48, Psalmen 78:48, Psalmen 78:50, Exodus 9:25, Psalmen 78:507En Farao zond er heen, en ziet, van het vee van Israël was niet tot een toe gestorven. Doch het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.stylusExodus 7:14, Exodus 7:14, Exodus 8:32, Exodus 8:32, Daniël 5:208Toen zeide de Heere tot Mozes en tot Aäron: Neemt gijlieden uw vuisten vol as uit den oven; en Mozes strooie die naar den hemel voor de ogen van Farao.stylusExodus 8:16, Exodus 8:169En zij zal tot klein stof worden over het ganse Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren, in het ganse Egypteland.stylusOpenbaring 16:2, Openbaring 16:2, Deuteronomium 28:27, Deuteronomium 28:27, Job 2:710En zij namen as uit den oven, en stonden voor Farao’s aangezicht; en Mozes strooide die naar den hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee;stylusDeuteronomium 28:27, Deuteronomium 28:2711Alzo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.stylusOpenbaring 16:2, 2 Timotheüs 3:8, 2 Timotheüs 3:9, Exodus 8:18, Exodus 8:1912Doch de Heere verstokte Farao’s hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heere tot Mozes gesproken had.stylusExodus 4:21, Exodus 4:21, Exodus 7:13, Exodus 7:14, Exodus 7:1313Toen zeide de Heere tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao’s aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere, de God der Hebreën: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.stylusExodus 8:20, Exodus 8:20, Exodus 7:15, Exodus 7:15, Exodus 9:114Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de ganse aarde.stylusExodus 8:10, Exodus 8:10, 1 Samuël 4:8, Leviticus 26:28, 1 Kronieken 17:2015Want nu heb Ik Mijn hand uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met de pestilentie zou slaan, en dat gij van de aarde zoudt verdelgd worden.stylusExodus 3:20, Exodus 3:20, Exodus 9:6, Spreuken 2:22, Exodus 9:1616Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde.stylusRomeinen 9:17, Romeinen 9:17, Spreuken 16:4, Spreuken 16:4, Psalmen 83:1717Verheft gij uzelven nog tegen Mijn volk, dat gij het niet wilt laten trekken?stylusJesaja 37:29, Job 40:9, Jesaja 10:15, Jesaja 45:9, Jesaja 37:2318Zie, Ik zal morgen omtrent dezen tijd een zeer zwaren hagel doen regenen, desgelijks in Egypte niet geweest is van dien dag af, dat het gegrond is, tot nu toe.stylusPsalmen 83:15, Exodus 9:22, Exodus 9:25, 1 Koningen 20:6, 1 Koningen 19:219En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat gij op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.stylusHabakuk 3:2, Habakuk 3:220Wie onder Farao’s knechten des Heeren woord vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vlieden;stylusSpreuken 13:13, Spreuken 13:13, Spreuken 22:3, Spreuken 22:3, Hebreeën 11:721Doch die zijn hart niet zette tot des Heeren woord, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld.stylusExodus 7:23, Daniël 10:12, Ezechiël 40:4, 1 Kronieken 22:19, Job 34:1422Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in het ganse Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid des velds in Egypteland.stylusOpenbaring 16:21, Openbaring 16:21, Exodus 8:5, Exodus 7:19, Exodus 8:1623Toen strekte Mozes zijn staf naar den hemel; en de Heere gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de Heere liet hagel regenen over Egypteland.stylusPsalmen 18:13, Jozua 10:11, Psalmen 18:13, Jozua 10:11, Ezechiël 38:2224En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.stylusMattheüs 24:21, Exodus 10:6, Exodus 9:23, Mattheüs 24:21, Exodus 10:625En de hagel sloeg, in het ganse Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, en verbrak al het geboomte des velds.stylusPsalmen 105:32, Psalmen 105:33, Psalmen 78:47, Psalmen 105:32, Psalmen 105:3326Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israëls waren, daar was geen hagel.stylusExodus 11:7, Exodus 11:7, Exodus 9:4, Exodus 10:23, Exodus 9:427Toen schikte Farao heen, en hij riep Mozes en Aäron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de Heere is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!stylusPsalmen 129:4, Exodus 10:16, 2 Kronieken 12:6, Klaagliederen 1:18, Psalmen 129:428Bidt vuriglijk tot den Heere (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik ulieden trekken laten, en gij zult niet langer blijven.stylusExodus 8:8, Exodus 8:8, Exodus 10:17, Exodus 10:17, Exodus 8:2829Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor den Heere; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des Heeren is!stylusPsalmen 143:6, 1 Koningen 8:22, 1 Koningen 8:38, 1 Korintiërs 10:26, Jesaja 1:1530Nochtans u en uw knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezicht van den Heere God nog niet vrezen zult.stylusJesaja 26:10, Jesaja 26:10, Spreuken 16:6, Spreuken 16:6, Jesaja 63:1731Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in den halm.stylusRuth 1:22, Ruth 2:23, Ruth 1:22, Ruth 2:23, Amos 4:932Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.stylusExodus 10:22, Exodus 10:2233Zo ging Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijn handen tot den Heere; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.stylusExodus 9:29, Exodus 9:29, Exodus 8:12, Exodus 8:12, Jakobus 5:1734Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.stylusExodus 7:14, Exodus 7:14, Exodus 4:21, Prediker 8:11, 2 Kronieken 28:2235Alzo werd Farao’s hart verstokt, dat hij de kinderen Israëls niet trekken liet, gelijk als de Heere gesproken had door Mozes.stylusExodus 4:21, Exodus 4:21