Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

1 Samuël Hoofdstuk 2

DutSVVA
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
1 SAMUËL

1 Samuël 2

1Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt van vreugde op in den Heere; mijn hoorn is verhoogd in den Heere; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil.
Lucas 1:46, Lucas 1:56, Lucas 1:46, Lucas 1:56, Psalmen 13:5
2Er is niemand heilig, gelijk de Heere; want er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God!
2 Samuël 22:32, 2 Samuël 22:32, Jesaja 44:6, Jesaja 44:6, Psalmen 86:8
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de Heere is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
Spreuken 8:13, 1 Koningen 8:39, Spreuken 8:13, 1 Koningen 8:39, Spreuken 24:12
4De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.
Psalmen 76:3, Psalmen 37:15, Psalmen 76:3, Psalmen 37:15, Psalmen 46:9
5Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden.
Psalmen 113:9, Lucas 1:53, Psalmen 113:9, Lucas 1:53, Jeremia 15:9
6De Heere doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.
Deuteronomium 32:39, Deuteronomium 32:39, Jesaja 26:19, Jesaja 26:19, 2 Koningen 5:7
7De Heere maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
Psalmen 75:7, Psalmen 75:7, Job 5:11, Job 5:11, Deuteronomium 8:17
8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beërven; want de grondvesten des aardrijks zijn des Heeren, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
Psalmen 113:7, Psalmen 113:8, Psalmen 113:7, Psalmen 113:8, Daniël 2:48
9Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.
Psalmen 121:3, Psalmen 121:3, Psalmen 33:16, Psalmen 33:17, Psalmen 91:11
10Die met den Heere twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de Heere zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen.
Psalmen 2:9, Psalmen 2:9, Psalmen 89:24, Psalmen 89:24, Exodus 15:6
11Daarna ging Elkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was den Heere dienende voor het aangezicht van den priester Eli.
1 Samuël 3:1, 1 Samuël 2:18, 1 Samuël 3:1, 1 Samuël 2:18, 1 Samuël 1:28
12Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den Heere niet.
Romeinen 1:28, Romeinen 1:30, Romeinen 1:28, Romeinen 1:30, Jeremia 2:8
13Want de wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offerande offerde, des priesters jongen kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand;
Leviticus 7:29, Leviticus 7:34, Leviticus 7:29, Leviticus 7:34
14En sloeg in de teile, of in den ketel, of in de pan, of in den pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzo deden zij aan al de Israëlieten, die te Silo kwamen.
1 Samuël 2:29, Leviticus 7:34, Exodus 29:27, Exodus 29:28, Jesaja 56:11
15Ook eer zij het vet aanstaken, kwam des priesters jongen, en zeide tot den man, die offerde: Geef dat vlees om te braden voor den priester; want hij zal geen gekookt vlees van u nemen, maar rauw.
Leviticus 3:16, Leviticus 3:16, Leviticus 3:3, Leviticus 3:5, Romeinen 16:18
16Wanneer nu die man tot hem zeide: Zij zullen dat vet als heden ganselijk aansteken, zo neem dan voor u, gelijk als het uw ziel lusten zal; zo zeide hij tot hem: Nu zult gij het immers geven, en zo niet, ik zal het met geweld nemen.
Leviticus 7:23, Leviticus 7:25, Leviticus 7:23, Leviticus 7:25, Leviticus 3:16
17Alzo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des Heeren; want de lieden verachtten het spijsoffer des Heeren.
Maleachi 2:7, Maleachi 2:9, Maleachi 2:7, Maleachi 2:9, Maleachi 2:13
18Doch Samuël diende voor het aangezicht des Heeren, zijnde een jongeling, omgord met den linnen lijfrok.
Exodus 28:4, 1 Samuël 3:1, Exodus 28:4, 1 Samuël 3:1, 1 Samuël 2:11
19En zijn moeder maakte hem een kleinen rok, en bracht hem dien van jaar tot jaar, als zij opkwam met haar man, om het jaarlijkse offer te offeren.
1 Samuël 1:3, 1 Samuël 1:3, 1 Samuël 1:21, 1 Samuël 1:21, Exodus 23:14
20En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zeide: De Heere geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den Heere afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats.
1 Samuël 1:27, 1 Samuël 1:28, 1 Samuël 1:27, 1 Samuël 1:28, Lucas 2:34
21Want de Heere bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en twee dochters; en de jongeling Samuël werd groot bij den Heere.
Genesis 21:1, Lucas 2:40, Genesis 21:1, Lucas 2:40, 1 Samuël 3:19
22Doch Eli was zeer oud, en hoorde al, wat zijn zonen aan gans Israël deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hopen samenkwamen aan de deur van de tent der samenkomst.
Exodus 38:8, Exodus 38:8, 1 Samuël 2:13, 1 Samuël 2:17, 1 Samuël 2:13
23En hij zeide tot hen: Waarom doet gij al zulke dingen, dat ik deze uw boze stukken hore van dit ganse volk?
Handelingen 9:4, 1 Koningen 1:6, Jeremia 8:12, Jeremia 3:3, Handelingen 14:15
24Niet, mijn zonen; want dit is geen goed gerucht, dat ik hoor; gij maakt, dat het volk des Heeren overtreedt.
Exodus 32:21, 1 Samuël 2:17, 2 Petrus 2:18, Maleachi 2:8, 1 Timotheüs 3:7
25Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen den Heere zondigt, wie zal voor hem bidden? Doch zij hoorden de stem huns vaders niet, want de Heere wilde hen doden.
Hebreeën 10:26, 1 Samuël 3:14, Jozua 11:20, Hebreeën 10:26, 1 Samuël 3:14
26En de jongeling Samuël nam toe, en werd groot en aangenaam beide bij den Heere en ook bij de mensen.
Lucas 2:52, Lucas 2:52, Lucas 2:40, Lucas 2:40, 1 Samuël 2:21
27En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de Heere: Heb Ik Mij klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao?
1 Koningen 13:1, Deuteronomium 33:1, Richteren 13:6, Exodus 4:14, Exodus 4:16
28En Ik heb hem uit alle stammen van Israël Mij ten priester verkoren, om te offeren op Mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om den efod voor Mijn aangezicht te dragen; en heb aan het huis uws vaders gegeven al de vuurofferen van de kinderen Israëls.
Exodus 28:1, Exodus 28:1, Leviticus 8:7, Leviticus 8:8, Leviticus 8:7
29Waarom slaat gijlieden achteruit tegen Mijn slachtoffer, en tegen Mijn spijsoffer, hetwelk Ik geboden heb in de woning; en eert uw zonen meer dan Mij, dat gijlieden u mest van het voornaamste van alle spijsoffers van Mijn volk Israël?
Mattheüs 10:37, Mattheüs 10:37, Deuteronomium 32:15, Deuteronomium 32:15, 1 Samuël 2:13
30Daarom spreekt de Heere, de God Israëls: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de Heere: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.
Johannes 12:26, Johannes 12:26, Jeremia 18:9, Jeremia 18:10, Jeremia 18:9
31Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen, en den arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uw huis wezen zal.
1 Samuël 22:17, 1 Samuël 22:20, 1 Samuël 22:17, 1 Samuël 22:20, 1 Samuël 4:2
32En gij zult aanschouwen de benauwdheid der woning Gods, in plaats van al het goede, dat Hij Israël zou gedaan hebben; en er zal te genen dage een oud man in uw huis zijn.
Zacharia 8:4, Zacharia 8:4, Psalmen 78:59, Psalmen 78:64, 1 Samuël 4:11
33Doch de man, dien Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde.
1 Koningen 2:26, 1 Koningen 2:27, 1 Koningen 2:26, 1 Koningen 2:27, 1 Koningen 1:19
34Dit nu zal u een teken zijn, hetwelk over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op een dag zullen zij beiden sterven.
1 Samuël 4:11, 1 Koningen 13:3, 1 Samuël 4:11, 1 Koningen 13:3, 1 Samuël 4:17
35En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; dien zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns Gezalfden wandelen.
2 Samuël 7:27, 2 Samuël 7:27, 2 Samuël 7:11, 1 Koningen 11:38, 2 Samuël 7:11
36En het zal geschieden, dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen, om zich voor hem neder te buigen voor een stukje gelds, en een bolle broods, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, dat ik een bete broods moge eten.
1 Koningen 2:27, 1 Koningen 2:27, Maleachi 1:13, Ezechiël 44:10, Ezechiël 44:12

Andere Boeken

1 Samuël2 Samuël1 Koningen+

Andere Boeken

1 SamuëlHfst. 2
2 Samuël1 Koningen2 Koningen1 Kronieken2 Kronieken
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward