Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Richteren Hoofdstuk 3

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
RICHTEREN

Richteren 3

1Dit zijn de volken, die Jahweh met rust liet, om door hen de Israëlieten, die nog geen der oorlogen van Kanaän hadden leren kennen, op de proef te stellen,
Richteren 2:21, Richteren 2:22, Richteren 2:21, Richteren 2:22, Spreuken 17:3
2en om aan de geslachten der Israëlieten de strijd te leren, voor zover ze die tevoren niet kenden.
Genesis 3:7, Genesis 2:17, 2 Timotheüs 2:3, 2 Kronieken 12:8, 1 Korintiërs 9:26
3Het waren de vijf vorsten der Filistijnen, al de Kanaänieten, de Sidoniërs, en de Chittieten, die het Libanon-gebergte bewonen van de berg Hermon af tot bij Chamat.
Jozua 13:3, Jozua 13:3, Jozua 13:5, Jozua 13:5, Jozua 19:28
4Ze dienden dus, om Israël te beproeven, ten einde te weten, of zij Jahweh’s voorschriften, die Hij hun vaders door Moses gegeven had, zouden opvolgen.
1 Korintiërs 11:19, Richteren 2:22, Richteren 3:1, 1 Korintiërs 11:19, Richteren 2:22
5Maar toen de Israëlieten midden tussen de Kanaänieten, Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten woonden,
Exodus 3:8, Genesis 10:15, Genesis 10:18, Psalmen 106:34, Psalmen 106:38
6namen ze zich hun dochters tot vrouw, gaven hun eigen dochters aan hun zonen, en dienden hun goden.
Deuteronomium 7:3, Deuteronomium 7:4, Exodus 34:16, Deuteronomium 7:3, Deuteronomium 7:4
7Toen dus de Israëlieten kwaad deden in de ogen van Jahweh, den God hunner vaderen vergaten, en de Báals en Asjera’s vereerden,
Exodus 34:13, Exodus 34:13, 2 Koningen 23:6, 2 Koningen 23:6, 2 Kronieken 33:19
8werd Jahweh op Israël vertoornd, en leverde Hij het in de macht van Koesjan-Risjatáim, den koning van Edom; en de Israëlieten dienden Koesjan-Risjatáim acht jaar lang.
Richteren 2:14, Richteren 2:14, Habakuk 3:7, Richteren 4:9, Habakuk 3:7
9Maar zodra de Israëlieten tot Jahweh riepen, deed Jahweh een redder opstaan om hen te bevrijden, namelijk Otniël, den zoon van Kenaz, den jongeren broer van Kaleb.
Richteren 3:15, Richteren 3:15, Richteren 1:13, Richteren 1:13, Psalmen 22:5
10De geest van Jahweh rustte op hem, en hij was rechter over Israël. En toen hij ten strijde trok, leverde Jahweh Koesjan-Risjatáim, den koning van Edom, in zijn hand, zodat hij Koesjan-Risjatáim overwon.
Richteren 14:19, Richteren 13:25, Richteren 6:34, Richteren 14:6, Richteren 11:29
11Gedurende veertig jaar genoot het land nu rust. Na de dood van Otniël
Richteren 8:28, Jozua 11:23, Richteren 5:31, Richteren 3:30, Richteren 8:28
12deden de Israëlieten opnieuw kwaad in de ogen van Jahweh. Daarom maakte Jahweh Eglon, den koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat ze kwaad hadden gedaan in de ogen van Jahweh.
1 Samuël 12:9, 1 Samuël 12:9, Richteren 2:19, Richteren 2:19, Jesaja 10:15
13Deze verenigde zich met de Ammonieten en Amalekieten, trok op, versloeg Israël, en nam bezit van de Palmenstad.
Richteren 1:16, Richteren 1:16, Deuteronomium 34:3, Deuteronomium 34:3, Psalmen 83:6
14En achttien jaar lang dienden de Israëlieten Eglon, den koning van Moab.
Leviticus 26:23, Leviticus 26:25, Deuteronomium 28:40, Deuteronomium 28:47, Deuteronomium 28:48
15Maar toen de Israëlieten weer tot Jahweh riepen, verwekte Jahweh hun een redder, Ehoed, den zoon van Gera, een Benjamiet, die links was. Toen de Israëlieten hem eens de schatting naar Eglon, den koning van Moab, lieten brengen,
Richteren 3:9, Richteren 3:9, Psalmen 78:34, Psalmen 78:34, Richteren 20:16
16maakte Ehoed zich een tweesnijdend zwaard van één span lengte, en gordde het onder zijn mantel aan zijn rechterheup.
Hooglied 3:8, Richteren 3:21, Openbaring 1:16, Openbaring 2:12, Hebreeën 4:12
17Zo bracht hij de schatting naar Eglon, den koning van Moab. Deze Eglon was een buitengewoon zwaarlijvig man.
Jeremia 5:28, Ezechiël 34:20, Jeremia 50:11, Psalmen 73:19, Job 15:27
18Na de schatting te hebben aangeboden, zond hij de mannen, die de schatting gedragen hadden, heen,
19maar hij zelf keerde bij de afgodsbeelden in de buurt van Gilgal weer om, en zeide: Koning, ik moet u een geheim meedelen. De koning beval stilte, en liet allen, die bij hem waren, vertrekken.
Jozua 4:20, Jozua 4:20, Handelingen 23:18, Handelingen 23:19, Richteren 3:20
20Toen nu Ehoed bij hem kwam, zat hij alleen in de koele opperzaal. En Ehoed sprak: Ik heb een godsspraak voor u. Terwijl Eglon van zijn zetel opstond,
Amos 3:15, Jeremia 10:7, Amos 3:15, Jeremia 10:7, Richteren 3:19
21stak Ehoed zijn linkerhand uit, trok het zwaard van zijn rechterheup en stiet het hem in de buik,
Job 20:25, Zacharia 13:3, 2 Korintiërs 5:16, 1 Samuël 15:33, Numeri 25:7
22zodat zelfs het heft er met het lemmet in drong, en het vet zich om het lemmet sloot; want hij trok het zwaard niet uit zijn buik.
23Hij klom nu door het venster en ging langs de galerij heen, nadat hij de deur van de opperzaal achter zich gesloten en gegrendeld had.
24Toen hij vertrokken was, kwamen de dienaren terug, maar zagen, dat de deur van de opperzaal gegrendeld was. Ze dachten: Hij doet zeker zijn behoefte in het gemak.
1 Samuël 24:3, 1 Samuël 24:3
25Ze bleven dus wachten, tot ze er verlegen mee werden. En toen hij de deur van de opperzaal maar niet opende, haalden ze de sleutel en deden open; en daar lag hun heer dood op de grond.
26Maar door hun talmen was Ehoed ontkomen; hij ging de afgodsbeelden voorbij, en stelde zich te Seïra in veiligheid.
27Zodra hij in het land van Israël was aangekomen, stak hij de bazuin in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten daalden met hem het gebergte af. Hij stelde zich aan hun spits,
1 Samuël 13:3, Richteren 6:34, 1 Samuël 13:3, Richteren 6:34, 2 Samuël 20:22
28en sprak hun toe: Volgt mij; want Jahweh heeft de Moabieten, uw vijanden, in uw hand geleverd. Ze volgden hem dan, sneden Moab de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan af, en lieten er niemand overtrekken.
Richteren 12:5, Richteren 12:5, Jozua 2:7, Richteren 7:9, Richteren 7:15
29In die tijd sloegen ze ongeveer tien duizend Moabieten neer, allemaal sterke en dappere mannen, en niemand ontkwam.
Psalmen 17:10, Deuteronomium 32:15, Richteren 3:17, Job 15:27, Psalmen 17:10
30Zo werd Moab in die dagen door Israël vernederd; en het land genoot rust voor tachtig jaar.
Richteren 3:11, Richteren 3:11, Richteren 5:31, Richteren 5:31
31Na hem trad nog Sjamgar op, de zoon van Anat, die zes honderd Filistijnen versloeg met een ossendrijversstok; ook hij redde Israël.
Richteren 5:6, Richteren 5:6, 1 Samuël 17:47, 1 Korintiërs 1:17, 1 Samuël 17:50

Andere Boeken

RichterenRuth1 Samuël+

Andere Boeken

RichterenHfst. 3
Ruth1 Samuël2 Samuël1 Koningen2 Koningen
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward