1Toen trokken alle Israëlieten uit, en kwam het volk, van Dan tot Beër-Sjéba en uit het land Gilad, als één man te zamen bij Jahweh te Mispa.stylusRichteren 11:11, Richteren 11:11, Jozua 22:12, 1 Samuël 10:17, 1 Samuël 3:202Daar vormden de hoofden van het gehele volk, van alle stammen van Israël, de raad van Gods volk; ze telden vierhonderd duizend man voetvolk, dat het zwaard kon hanteren.stylusRichteren 8:10, Richteren 8:10, Richteren 20:15, Richteren 20:17, Richteren 20:153De Benjamieten moesten dus wel horen, dat de Israëlieten naar Mispa waren opgetrokken. De Israëlieten zeiden: Spreekt, hoe is deze misdaad gebeurd?stylusRichteren 19:22, Richteren 19:27, Richteren 19:22, Richteren 19:27, Mattheüs 5:254De leviet, de man der vermoorde vrouw, antwoordde: Toen ik met mijn bijzit te Giba van Benjamin was gekomen, om er te overnachten,stylusRichteren 19:15, Richteren 19:28, Richteren 19:15, Richteren 19:285kwamen de burgers van Giba op mij af en omsingelden ‘s nachts het huis, om mij kwaad te doen. Ze waren van plan mij te doden; en mijn bijzit hebben ze zo verkracht, dat ze ervan gestorven is.stylusRichteren 19:22, Richteren 19:22, Richteren 19:25, Richteren 19:26, Richteren 19:256Daarop heb ik mijn bijzit genomen, haar in stukken gehouwen, en rondgestuurd door heel het land van Israëls erfdeel. Waarachtig, ze hebben een afschuwelijke misdaad in Israël bedreven!stylusRichteren 19:29, Richteren 19:29, Richteren 19:23, Jozua 7:15, Richteren 19:237Welnu dan, Israëlieten, denkt er allen over na, en schaft raad.stylusRichteren 19:30, Richteren 19:30, 1 Korintiërs 5:1, Deuteronomium 4:6, Jozua 9:148Heel het volk stond als één man op, en zeide: Niemand van ons mag naar zijn tent gaan, niemand naar huis terugkeren.stylusRichteren 20:1, Prediker 9:10, Richteren 20:1, Prediker 9:10, Spreuken 21:39Zo zullen we met Giba afrekenen: We zullen het lot werpen,stylusSpreuken 16:33, 1 Samuël 14:41, 1 Samuël 14:42, Nehemia 11:1, Jozua 14:210en uit alle stammen van Israël tien man op de honderd, honderd op de duizend, en duizend op de tien duizend kiezen; die zullen dan proviand gaan halen voor het volk, voor al de anderen, die moeten optrekken, om met Giba van Benjamin af te rekenen, zoals het verdient om al de schanddaden, die het in Israël heeft bedreven.stylus11Zo rukten alle Israëlieten als één man tezamen tegen de stad op.stylus12En de stammen van Israël zonden mannen door heel de stam van Benjamin, en lieten zeggen: Wat is dat voor een schanddaad, die onder u is bedreven?stylusDeuteronomium 13:14, Deuteronomium 13:14, Romeinen 12:18, Mattheüs 18:15, Mattheüs 18:1813Lever ons de mannen van Giba uit, die Belialskinderen; dan brengen wij ze ter dood, en roeien zo het kwaad in Israël uit. Maar de Benjamieten wilden naar de Israëlieten, hun broeders, niet luisteren;stylusRichteren 19:22, Deuteronomium 17:12, Deuteronomium 13:13, Richteren 19:22, Deuteronomium 17:1214de Benjamieten rukten uit hun steden tezamen naar Giba op, om tegen de Israëlieten te velde te trekken.stylus2 Kronieken 13:13, Numeri 21:23, Job 15:25, Job 15:26, Numeri 20:2015Toen de Benjamieten werden gemonsterd, telden ze op die dag uit de steden zes en twintig duizend man, die het zwaard hanteerden, zonder de inwoners van Giba mede te rekenen.stylusNumeri 26:41, Numeri 26:41, Richteren 20:25, Richteren 20:46, Richteren 20:4716Onder al dat volk had men zeven honderd uitgelezen mannen, die, ofschoon ze allen links waren, een steen konden slingeren, zonder ook maar een haarbreedte te missen.stylusRichteren 3:15, Richteren 3:15, 1 Kronieken 12:2, 1 Kronieken 12:2, 1 Samuël 17:4917Ook de Israëlieten werden gemonsterd, en telden, Benjamin niet meegerekend, vierhonderd duizend man, die het zwaard hanteerden, allemaal krijgslieden.stylus1 Samuël 11:8, Numeri 1:46, Richteren 20:2, 1 Kronieken 21:5, 2 Kronieken 17:1418Nu gingen de Israëlieten naar Betel op, om God te raadplegen. Ze vroegen: Wie van ons zal de strijd met de Benjamieten beginnen? Jahweh antwoordde: Juda zal beginnen.stylusRichteren 20:23, Richteren 20:26, Richteren 20:27, Numeri 27:21, Richteren 20:2319Daarop trokken de Israëlieten ‘s morgens vroeg op, en legerden zich tegenover Giba.stylusJozua 3:1, Jozua 6:12, Jozua 7:16, Jozua 3:1, Jozua 6:1220Maar toen de Israëlieten waren uitgerukt, om met de Benjamieten te vechten, en zich tegen hen in slagorde hadden geschaard voor de strijd tegen Giba,stylus21deden de Benjamieten een uitval uit Giba, en sloegen die dag twee en twintig duizend man van Israël neer.stylusRichteren 20:25, Richteren 20:25, Psalmen 73:18, Psalmen 73:19, Jeremia 12:122De Israëlieten lieten de moed dus niet zinken, maar schaarden zich opnieuw in slagorde, op dezelfde plaats, waar ze zich de eerste dag hadden opgesteld.stylus1 Samuël 30:6, Richteren 20:17, Psalmen 64:5, 2 Samuël 11:25, Richteren 20:1523Nu trokken de Israëlieten naar Betel op; ze bleven tot de avond voor Jahweh wenen en vroegen Hem: Moet ik opnieuw de strijd aanbinden met mijn broeder Benjamin? En Jahweh antwoordde: Trekt tegen hem op.stylusRichteren 20:26, Richteren 20:27, Richteren 20:26, Richteren 20:27, Hosea 5:1524Doch toen de Israëlieten de tweede dag tegen de Benjamieten optrokken,stylus25rukten dezen hun die tweede dag van Giba uit tegemoet, en sloegen er van de Israëlieten nog achttien duizend neer, allemaal zwaardvechters.stylusRichteren 20:21, Richteren 20:21, Genesis 18:25, Psalmen 97:2, Romeinen 3:526Nu begaven alle Israëlieten, het hele volk, zich naar Betel, en daar aangekomen, zaten ze wenend voor Jahweh, vastten die dag tot de avond, en brachten Jahweh brand- en vredeoffers.stylusRichteren 20:23, Richteren 20:23, Joël 2:12, Joël 2:18, Joël 2:1227Daarna raadpleegden zij Jahweh; want in die dagen verbleef daar de ark van Gods Verbond,stylusJozua 18:1, Jozua 18:1, Richteren 20:18, 1 Samuël 4:3, 1 Samuël 4:428en Pinechas, de zoon van Elazar, zoon van Aäron, deed er dienst. Ze vroegen: Zal ik nog langer tegen mijn broeder Benjamin vechten, of er mee ophouden? En Jahweh zeide: Trekt op; want morgen lever Ik hen in uw hand.stylusRichteren 7:9, Richteren 7:9, Deuteronomium 18:5, Jozua 24:33, Deuteronomium 18:529Nu legde Israël rondom Giba troepen in hinderlaag.stylusJozua 8:4, Jozua 8:4, Richteren 20:34, 2 Samuël 5:23, Richteren 20:3430En op de derde dag trokken de Israëlieten tegen de Benjamieten op, en schaarden zich evenals de vorige keren in slagorde tegen Giba.stylus31Ook de Benjamieten rukten uit tegen het volk, maar werden afgesneden van de stad. Evenals de vorige keren begonnen ze slachtoffers onder het volk te maken op de wegen, waarvan de ene omhoog naar Betel, de andere door het veld naar Giba voert: ongeveer dertig man van Israël.stylusJozua 8:14, Jozua 8:16, Jesaja 10:29, Jozua 7:5, Richteren 19:1332En reeds dachten de Benjamieten: Ze worden door ons verslagen evenals vroeger! Maar de Israëlieten hadden afgesproken: We zullen vluchten, en ze van de stad aftrekken, de wegen op.stylusJozua 8:15, Jozua 8:16, Jozua 8:15, Jozua 8:1633Heel Israël had dus zijn stelling verlaten, en hield eerst stand bij Báal-Tamar. Intussen waren de Israëlieten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, uit hun schuilplaats ten westen van Giba opgetrokken,stylusJozua 8:18, Jozua 8:22, Jozua 8:18, Jozua 8:2234en tot voor Giba genaderd: het waren tien duizend dappere mannen, de besten uit heel Israël. Het werd een heftige strijd, en de Benjamieten vermoedden niet, dat hun gevaar dreigde.stylusJozua 8:14, Jozua 8:14, Job 21:13, Jesaja 47:11, Job 21:1335Maar Jahweh deed Benjamin voor Israël vluchten, en de Israëlieten versloegen die dag vijf en twintig duizend Benjamieten, allemaal zwaardvechters.stylusJob 20:5, Job 20:5, Richteren 20:15, Richteren 20:44, Richteren 20:4636En de Benjamieten zagen, dat ze de nederlaag hadden geleden, en dat de Israëlieten hun stelling voor de Benjamieten enkel hadden ontruimd, omdat ze vertrouwden op de troep, die zich bij Giba in hinderlaag had gelegd.stylusJozua 8:15, Jozua 8:29, Jozua 8:15, Jozua 8:2937Deze troep haastte zich dan ook een aanval op Giba te doen; ze trok er heen, en moordde de hele stad uit.stylusJozua 8:19, Jozua 8:19, Exodus 19:13, Jozua 6:5, Exodus 19:1338Nu had de troep, die in hinderlaag lag, met de Israëlieten een afspraak gemaakt, dat zij uit de stad een rookkolom zou doen opstijgen.stylus2 Koningen 4:16, Jozua 8:20, Genesis 17:21, 2 Koningen 4:16, Jozua 8:2039Terwijl dus de Israëlieten bij het gevecht op de loop waren gegaan, en Benjamin reeds begonnen was, een dertigtal slachtoffers onder de Israëlieten te maken, en dacht, dat ze alweer door hen geslagen werden,stylusRichteren 20:32, Richteren 20:3240begon de rookkolom uit de stad op te stijgen. De Benjamieten zagen om, en zie: daar ging heel de stad in vlammen op!stylusJozua 8:20, Jozua 8:20, Openbaring 19:3, Joël 2:30, Hooglied 3:641En toen de Israëlieten nu rechtsomkeert maakten, werden de Benjamieten van schrik geslagen; want ze zagen, dat het onheil hen getroffen had.stylusExodus 15:9, Exodus 15:10, Jesaja 33:14, 1 Tessalonicenzen 5:3, Lucas 17:2742Ze vluchtten voor de Israëlieten in de richting van de woestijn; maar ze werden achtervolgd, en die uit de stad kwamen, sloten ze in en sloegen ze neer.stylusHosea 10:9, Jozua 8:15, Klaagliederen 1:3, Hosea 9:9, Jozua 8:2443Zo verpletterden ze Benjamin, en zetten ze achterna tot aan de oostzijde van Giba.stylusJozua 8:20, Jozua 8:22, Jozua 8:20, Jozua 8:2244En er vielen van Benjamin achttien duizend man, allemaal dappere mannen.stylus45Terwijl ze nu wegvluchtten in de richting der woestijn, naar de rots Rimmon, werden er op de wegen nog vijf duizend man gedood; maar men bleef ze achtervolgen, tot ze geheel in de pan waren gehakt; en zo sloegen ze er nog twee duizend neer.stylusJozua 15:32, Jozua 15:32, Richteren 21:13, Richteren 21:13, Zacharia 14:1046In het geheel waren er dus die dag vijf en twintig duizend Benjamieten, die het zwaard hanteerden, gevallen, allemaal dappere mannen;stylusRichteren 20:15, Richteren 20:35, Richteren 20:15, Richteren 20:3547slechts zes honderd mannen vluchtten weg naar de woestijn, naar de rots Rimmon, waar ze vier maanden bleven.stylusJesaja 1:9, Klaagliederen 3:32, Jeremia 14:7, Richteren 21:13, Habakuk 3:248En toen de Israëlieten naar de Benjamieten waren teruggekeerd, joegen ze al wat ze aantroffen, mens en dier over de kling; en de steden, waar ze langs kwamen, staken ze in brand.stylusDeuteronomium 13:15, Deuteronomium 13:17, Deuteronomium 13:15, Deuteronomium 13:17, Spreuken 18:19