Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Richteren Hoofdstuk 20

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
RICHTEREN

Richteren 20

1Toen trokken alle Israëlieten uit, en kwam het volk, van Dan tot Beër-Sjéba en uit het land Gilad, als één man te zamen bij Jahweh te Mispa.
Richteren 11:11, Richteren 11:11, Jozua 22:12, 1 Samuël 10:17, 1 Samuël 3:20
2Daar vormden de hoofden van het gehele volk, van alle stammen van Israël, de raad van Gods volk; ze telden vierhonderd duizend man voetvolk, dat het zwaard kon hanteren.
Richteren 8:10, Richteren 8:10, Richteren 20:15, Richteren 20:17, Richteren 20:15
3De Benjamieten moesten dus wel horen, dat de Israëlieten naar Mispa waren opgetrokken. De Israëlieten zeiden: Spreekt, hoe is deze misdaad gebeurd?
Richteren 19:22, Richteren 19:27, Richteren 19:22, Richteren 19:27, Mattheüs 5:25
4De leviet, de man der vermoorde vrouw, antwoordde: Toen ik met mijn bijzit te Giba van Benjamin was gekomen, om er te overnachten,
Richteren 19:15, Richteren 19:28, Richteren 19:15, Richteren 19:28
5kwamen de burgers van Giba op mij af en omsingelden ‘s nachts het huis, om mij kwaad te doen. Ze waren van plan mij te doden; en mijn bijzit hebben ze zo verkracht, dat ze ervan gestorven is.
Richteren 19:22, Richteren 19:22, Richteren 19:25, Richteren 19:26, Richteren 19:25
6Daarop heb ik mijn bijzit genomen, haar in stukken gehouwen, en rondgestuurd door heel het land van Israëls erfdeel. Waarachtig, ze hebben een afschuwelijke misdaad in Israël bedreven!
Richteren 19:29, Richteren 19:29, Richteren 19:23, Jozua 7:15, Richteren 19:23
7Welnu dan, Israëlieten, denkt er allen over na, en schaft raad.
Richteren 19:30, Richteren 19:30, 1 Korintiërs 5:1, Deuteronomium 4:6, Jozua 9:14
8Heel het volk stond als één man op, en zeide: Niemand van ons mag naar zijn tent gaan, niemand naar huis terugkeren.
Richteren 20:1, Prediker 9:10, Richteren 20:1, Prediker 9:10, Spreuken 21:3
9Zo zullen we met Giba afrekenen: We zullen het lot werpen,
Spreuken 16:33, 1 Samuël 14:41, 1 Samuël 14:42, Nehemia 11:1, Jozua 14:2
10en uit alle stammen van Israël tien man op de honderd, honderd op de duizend, en duizend op de tien duizend kiezen; die zullen dan proviand gaan halen voor het volk, voor al de anderen, die moeten optrekken, om met Giba van Benjamin af te rekenen, zoals het verdient om al de schanddaden, die het in Israël heeft bedreven.
11Zo rukten alle Israëlieten als één man tezamen tegen de stad op.
12En de stammen van Israël zonden mannen door heel de stam van Benjamin, en lieten zeggen: Wat is dat voor een schanddaad, die onder u is bedreven?
Deuteronomium 13:14, Deuteronomium 13:14, Romeinen 12:18, Mattheüs 18:15, Mattheüs 18:18
13Lever ons de mannen van Giba uit, die Belialskinderen; dan brengen wij ze ter dood, en roeien zo het kwaad in Israël uit. Maar de Benjamieten wilden naar de Israëlieten, hun broeders, niet luisteren;
Richteren 19:22, Deuteronomium 17:12, Deuteronomium 13:13, Richteren 19:22, Deuteronomium 17:12
14de Benjamieten rukten uit hun steden tezamen naar Giba op, om tegen de Israëlieten te velde te trekken.
2 Kronieken 13:13, Numeri 21:23, Job 15:25, Job 15:26, Numeri 20:20
15Toen de Benjamieten werden gemonsterd, telden ze op die dag uit de steden zes en twintig duizend man, die het zwaard hanteerden, zonder de inwoners van Giba mede te rekenen.
Numeri 26:41, Numeri 26:41, Richteren 20:25, Richteren 20:46, Richteren 20:47
16Onder al dat volk had men zeven honderd uitgelezen mannen, die, ofschoon ze allen links waren, een steen konden slingeren, zonder ook maar een haarbreedte te missen.
Richteren 3:15, Richteren 3:15, 1 Kronieken 12:2, 1 Kronieken 12:2, 1 Samuël 17:49
17Ook de Israëlieten werden gemonsterd, en telden, Benjamin niet meegerekend, vierhonderd duizend man, die het zwaard hanteerden, allemaal krijgslieden.
1 Samuël 11:8, Numeri 1:46, Richteren 20:2, 1 Kronieken 21:5, 2 Kronieken 17:14
18Nu gingen de Israëlieten naar Betel op, om God te raadplegen. Ze vroegen: Wie van ons zal de strijd met de Benjamieten beginnen? Jahweh antwoordde: Juda zal beginnen.
Richteren 20:23, Richteren 20:26, Richteren 20:27, Numeri 27:21, Richteren 20:23
19Daarop trokken de Israëlieten ‘s morgens vroeg op, en legerden zich tegenover Giba.
Jozua 3:1, Jozua 6:12, Jozua 7:16, Jozua 3:1, Jozua 6:12
20Maar toen de Israëlieten waren uitgerukt, om met de Benjamieten te vechten, en zich tegen hen in slagorde hadden geschaard voor de strijd tegen Giba,
21deden de Benjamieten een uitval uit Giba, en sloegen die dag twee en twintig duizend man van Israël neer.
Richteren 20:25, Richteren 20:25, Psalmen 73:18, Psalmen 73:19, Jeremia 12:1
22De Israëlieten lieten de moed dus niet zinken, maar schaarden zich opnieuw in slagorde, op dezelfde plaats, waar ze zich de eerste dag hadden opgesteld.
1 Samuël 30:6, Richteren 20:17, Psalmen 64:5, 2 Samuël 11:25, Richteren 20:15
23Nu trokken de Israëlieten naar Betel op; ze bleven tot de avond voor Jahweh wenen en vroegen Hem: Moet ik opnieuw de strijd aanbinden met mijn broeder Benjamin? En Jahweh antwoordde: Trekt tegen hem op.
Richteren 20:26, Richteren 20:27, Richteren 20:26, Richteren 20:27, Hosea 5:15
24Doch toen de Israëlieten de tweede dag tegen de Benjamieten optrokken,
25rukten dezen hun die tweede dag van Giba uit tegemoet, en sloegen er van de Israëlieten nog achttien duizend neer, allemaal zwaardvechters.
Richteren 20:21, Richteren 20:21, Genesis 18:25, Psalmen 97:2, Romeinen 3:5
26Nu begaven alle Israëlieten, het hele volk, zich naar Betel, en daar aangekomen, zaten ze wenend voor Jahweh, vastten die dag tot de avond, en brachten Jahweh brand- en vredeoffers.
Richteren 20:23, Richteren 20:23, Joël 2:12, Joël 2:18, Joël 2:12
27Daarna raadpleegden zij Jahweh; want in die dagen verbleef daar de ark van Gods Verbond,
Jozua 18:1, Jozua 18:1, Richteren 20:18, 1 Samuël 4:3, 1 Samuël 4:4
28en Pinechas, de zoon van Elazar, zoon van Aäron, deed er dienst. Ze vroegen: Zal ik nog langer tegen mijn broeder Benjamin vechten, of er mee ophouden? En Jahweh zeide: Trekt op; want morgen lever Ik hen in uw hand.
Richteren 7:9, Richteren 7:9, Deuteronomium 18:5, Jozua 24:33, Deuteronomium 18:5
29Nu legde Israël rondom Giba troepen in hinderlaag.
Jozua 8:4, Jozua 8:4, Richteren 20:34, 2 Samuël 5:23, Richteren 20:34
30En op de derde dag trokken de Israëlieten tegen de Benjamieten op, en schaarden zich evenals de vorige keren in slagorde tegen Giba.
31Ook de Benjamieten rukten uit tegen het volk, maar werden afgesneden van de stad. Evenals de vorige keren begonnen ze slachtoffers onder het volk te maken op de wegen, waarvan de ene omhoog naar Betel, de andere door het veld naar Giba voert: ongeveer dertig man van Israël.
Jozua 8:14, Jozua 8:16, Jesaja 10:29, Jozua 7:5, Richteren 19:13
32En reeds dachten de Benjamieten: Ze worden door ons verslagen evenals vroeger! Maar de Israëlieten hadden afgesproken: We zullen vluchten, en ze van de stad aftrekken, de wegen op.
Jozua 8:15, Jozua 8:16, Jozua 8:15, Jozua 8:16
33Heel Israël had dus zijn stelling verlaten, en hield eerst stand bij Báal-Tamar. Intussen waren de Israëlieten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, uit hun schuilplaats ten westen van Giba opgetrokken,
Jozua 8:18, Jozua 8:22, Jozua 8:18, Jozua 8:22
34en tot voor Giba genaderd: het waren tien duizend dappere mannen, de besten uit heel Israël. Het werd een heftige strijd, en de Benjamieten vermoedden niet, dat hun gevaar dreigde.
Jozua 8:14, Jozua 8:14, Job 21:13, Jesaja 47:11, Job 21:13
35Maar Jahweh deed Benjamin voor Israël vluchten, en de Israëlieten versloegen die dag vijf en twintig duizend Benjamieten, allemaal zwaardvechters.
Job 20:5, Job 20:5, Richteren 20:15, Richteren 20:44, Richteren 20:46
36En de Benjamieten zagen, dat ze de nederlaag hadden geleden, en dat de Israëlieten hun stelling voor de Benjamieten enkel hadden ontruimd, omdat ze vertrouwden op de troep, die zich bij Giba in hinderlaag had gelegd.
Jozua 8:15, Jozua 8:29, Jozua 8:15, Jozua 8:29
37Deze troep haastte zich dan ook een aanval op Giba te doen; ze trok er heen, en moordde de hele stad uit.
Jozua 8:19, Jozua 8:19, Exodus 19:13, Jozua 6:5, Exodus 19:13
38Nu had de troep, die in hinderlaag lag, met de Israëlieten een afspraak gemaakt, dat zij uit de stad een rookkolom zou doen opstijgen.
2 Koningen 4:16, Jozua 8:20, Genesis 17:21, 2 Koningen 4:16, Jozua 8:20
39Terwijl dus de Israëlieten bij het gevecht op de loop waren gegaan, en Benjamin reeds begonnen was, een dertigtal slachtoffers onder de Israëlieten te maken, en dacht, dat ze alweer door hen geslagen werden,
Richteren 20:32, Richteren 20:32
40begon de rookkolom uit de stad op te stijgen. De Benjamieten zagen om, en zie: daar ging heel de stad in vlammen op!
Jozua 8:20, Jozua 8:20, Openbaring 19:3, Joël 2:30, Hooglied 3:6
41En toen de Israëlieten nu rechtsomkeert maakten, werden de Benjamieten van schrik geslagen; want ze zagen, dat het onheil hen getroffen had.
Exodus 15:9, Exodus 15:10, Jesaja 33:14, 1 Tessalonicenzen 5:3, Lucas 17:27
42Ze vluchtten voor de Israëlieten in de richting van de woestijn; maar ze werden achtervolgd, en die uit de stad kwamen, sloten ze in en sloegen ze neer.
Hosea 10:9, Jozua 8:15, Klaagliederen 1:3, Hosea 9:9, Jozua 8:24
43Zo verpletterden ze Benjamin, en zetten ze achterna tot aan de oostzijde van Giba.
Jozua 8:20, Jozua 8:22, Jozua 8:20, Jozua 8:22
44En er vielen van Benjamin achttien duizend man, allemaal dappere mannen.
45Terwijl ze nu wegvluchtten in de richting der woestijn, naar de rots Rimmon, werden er op de wegen nog vijf duizend man gedood; maar men bleef ze achtervolgen, tot ze geheel in de pan waren gehakt; en zo sloegen ze er nog twee duizend neer.
Jozua 15:32, Jozua 15:32, Richteren 21:13, Richteren 21:13, Zacharia 14:10
46In het geheel waren er dus die dag vijf en twintig duizend Benjamieten, die het zwaard hanteerden, gevallen, allemaal dappere mannen;
Richteren 20:15, Richteren 20:35, Richteren 20:15, Richteren 20:35
47slechts zes honderd mannen vluchtten weg naar de woestijn, naar de rots Rimmon, waar ze vier maanden bleven.
Jesaja 1:9, Klaagliederen 3:32, Jeremia 14:7, Richteren 21:13, Habakuk 3:2
48En toen de Israëlieten naar de Benjamieten waren teruggekeerd, joegen ze al wat ze aantroffen, mens en dier over de kling; en de steden, waar ze langs kwamen, staken ze in brand.
Deuteronomium 13:15, Deuteronomium 13:17, Deuteronomium 13:15, Deuteronomium 13:17, Spreuken 18:19

Andere Boeken

RichterenRuth1 Samuël+

Andere Boeken

RichterenHfst. 20
Ruth1 Samuël2 Samuël1 Koningen2 Koningen
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward