1Toen Hij eens aan de oever van het meer van Gennézaret stond, drong de menigte op Hem aan, om het woord Gods te horen.stylus1 Johannes 4:11, 1 Johannes 4:11, 1 Petrus 1:15, 1 Petrus 1:16, 1 Petrus 1:152Nu zag Hij twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren er uitgegaan, en spoelden de netten.stylusJohannes 13:34, Johannes 13:34, Galaten 2:20, Galaten 2:20, Kolossenzen 3:143Hij stapte in een der boten, die aan Simon toebehoorde, en verzocht hem, een weinig van wal te steken. Hij zette Zich neer, en begon van de boot uit de menigte te onderrichten.stylusKolossenzen 3:5, Kolossenzen 3:5, Efeziërs 5:5, Efeziërs 5:5, Galaten 5:194Toen Hij zijn toespraak had beëindigd, zei Hij tot Simon: Steek nu verder van wal, en werp uw netten uit voor de vangst.stylusKolossenzen 3:8, Kolossenzen 3:8, Efeziërs 4:29, Efeziërs 4:29, 1 Tessalonicenzen 5:185Maar Simon antwoordde Hem: Meester, we hebben de hele nacht gewerkt, en niets gevangen; toch werp ik op uw woord de netten uit.stylusGalaten 5:21, Galaten 5:21, 1 Korintiërs 6:9, 1 Korintiërs 6:10, 1 Korintiërs 6:96Ze deden het, en vingen zoveel vis, dat hun net er van scheurde.stylusRomeinen 1:18, Romeinen 1:18, Mattheüs 24:4, Mattheüs 24:4, Kolossenzen 2:87Nu wenkten ze hun makkers in de andere boot, om hen te komen helpen. Ze kwamen, en vulden beide boten tot zinkens toe.stylusOpenbaring 18:4, Openbaring 18:4, 1 Timotheüs 5:22, 1 Timotheüs 5:22, Efeziërs 5:118Toen Simon Petrus dit zag, viel hij Jesus te voet, en sprak: Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.stylusJohannes 8:12, Johannes 8:12, 1 Johannes 1:7, 1 Johannes 1:7, Handelingen 26:189Ontzetting had hem aangegrepen over de vangst, die ze hadden gedaan; hem en allen die bij hem waren,stylus1 Johannes 3:9, 1 Johannes 3:10, 1 Johannes 3:9, 1 Johannes 3:10, 3 Johannes 1:1110ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die tot de gezellen van Simon behoorden. Maar Jesus zei tot Simon: Vrees niet; van nu af zult ge mensen vangen.stylusRomeinen 12:1, Romeinen 12:2, Romeinen 12:1, Romeinen 12:2, Psalmen 19:1411Toen brachten ze de boten aan wal, verlieten alles, en volgden Hem.stylusRomeinen 13:12, Romeinen 13:12, 1 Timotheüs 5:20, 1 Timotheüs 5:20, 2 Johannes 1:1012Eens, dat Hij Zich in zekere stad bevond, was daar een man, die melaats was van onder tot boven. Toen hij Jesus zag, viel hij op zijn aangezicht neer, en smeekte Hem: Heer, zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.stylusEfeziërs 5:3, Efeziërs 5:3, Romeinen 2:16, Prediker 12:14, Jeremia 23:2413Hij strekte de hand uit, raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond was zijn melaatsheid verdwenen.stylusJohannes 3:20, Johannes 3:21, Johannes 3:20, Johannes 3:21, Hosea 2:1014Hij beval hem, het niemand te zeggen, "maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer voor uw reiniging, wat Moses als bewijs voor hen heeft voorgeschreven."stylusJesaja 60:1, Jesaja 60:1, Romeinen 13:11, Romeinen 13:12, Romeinen 13:1115Hoe langer hoe meer begon zich zijn faam te verbreiden. Talrijke scharen kwamen bijeen, om Hem te horen en van hun ziekten te worden genezen.stylusKolossenzen 4:5, Kolossenzen 4:5, Jakobus 3:13, Jakobus 3:13, Filippenzen 1:2716Maar Hij trok Zich in de eenzaamheid terug, om te bidden.stylusKolossenzen 4:5, Kolossenzen 4:5, Amos 5:13, Amos 5:13, Johannes 12:3517Op zekere dag was Hij bezig met onderricht te geven, toen er ook farizeën bij kwamen zitten en wetgeleerden, die uit alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jerusalem waren gekomen. En de kracht des Heren deed Hem genezingen verrichten.stylusRomeinen 12:2, Romeinen 12:2, 1 Tessalonicenzen 5:18, 1 Tessalonicenzen 5:18, Efeziërs 5:1518Zie, daar brachten enige mannen op een rustbed een man, die verlamd was; ze trachtten hem binnen te dragen, en voor Hem neer te leggen.stylusSpreuken 20:1, Spreuken 20:1, Romeinen 13:13, Romeinen 13:13, Lucas 1:1519Daar ze hem echter wegens de menigte niet naar binnen konden brengen, klommen ze op het dak, en lieten hem met het bed door het dak naar beneden, midden in het huis en vóór Jesus.stylusKolossenzen 3:16, Kolossenzen 3:16, 1 Korintiërs 14:26, 1 Korintiërs 14:26, Psalmen 95:220Toen Hij hun geloof zag, zeide Hij: Mens, uw zonden zijn u vergeven.stylusKolossenzen 3:17, Kolossenzen 3:17, 1 Tessalonicenzen 5:18, 1 Tessalonicenzen 5:18, Hebreeën 13:1521Maar de schriftgeleerden en farizeën begonnen zich af te vragen: Wie is Hij dan toch? Hij zegt godslasteringen! Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?stylusFilippenzen 2:3, Filippenzen 2:3, Efeziërs 5:24, Efeziërs 5:24, Efeziërs 5:2222Jesus, die hun gedachten kende, nam het woord en zei hun: Wat overlegt gij nog bij uzelf?stylusKolossenzen 3:18, Kolossenzen 4:1, Kolossenzen 3:18, Kolossenzen 4:1, 1 Petrus 3:123Wat is gemakkelijker te zeggen: uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: sta op, en ga heen?stylus1 Korintiërs 11:3, 1 Korintiërs 11:10, 1 Korintiërs 11:3, 1 Korintiërs 11:10, Kolossenzen 1:1824Welnu, opdat gij weten moogt, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde, om zonden te vergeven, (hier sprak Hij tot den lamme:) Ik zeg u: Sta op, neem uw bed, en ga naar huis.stylusEfeziërs 5:33, Efeziërs 5:33, Kolossenzen 3:20, Titus 2:7, Kolossenzen 3:2025Onmiddellijk stond hij op voor aller ogen, nam zijn bed, ging naar huis, en verheerlijkte God onderweg.stylus1 Petrus 3:7, 1 Petrus 3:7, Kolossenzen 3:19, Kolossenzen 3:19, Efeziërs 5:2826Allen stonden verbaasd, en loofden God; ze werden door vrees bevangen, en zeiden: We hebben heden wonderbare dingen gezien.stylusJohannes 15:3, Johannes 15:3, Hebreeën 10:22, Hebreeën 10:22, Johannes 17:1727Toen Hij daarna verder ging, zag Hij een tollenaar, Levi genaamd, aan het tolhuis zitten. Hij zeide hem: Volg Mij.stylusKolossenzen 1:22, Kolossenzen 1:22, Hebreeën 9:14, Hebreeën 9:14, 1 Petrus 1:1928En hij stond op, liet alles achter, en volgde Hem.stylusEfeziërs 5:25, Genesis 2:21, Genesis 2:24, Efeziërs 5:25, Genesis 2:2129Nu richtte Levi in zijn huis een groot gastmaal voor Hem aan; en een talrijke menigte van tollenaars en anderen lagen met hen aan tafel aan.stylusEfeziërs 5:31, Ezechiël 34:14, Ezechiël 34:15, Efeziërs 5:31, Ezechiël 34:1430De farizeën en schriftgeleerden morden daarover tegen zijn leerlingen, en zeiden: Waarom eet en drinkt gij met de tollenaars en zondaars?stylus1 Korintiërs 6:15, 1 Korintiërs 6:15, 1 Korintiërs 12:12, 1 Korintiërs 12:27, 1 Korintiërs 12:1231Jesus gaf hun ten antwoord: De gezonden hebben geen geneesheer nodig, wel de zieken.stylusGenesis 2:24, Genesis 2:24, Mattheüs 19:5, Mattheüs 19:5, Marcus 10:732Ik ben niet gekomen, om de rechtvaardigen te roepen, maar wel de zondaars, om ze te bekeren.stylusOpenbaring 21:2, Openbaring 21:2, 2 Korintiërs 11:2, 2 Korintiërs 11:2, Jesaja 54:533Ze zeiden tot Hem: De leerlingen van Johannes en die der farizeën vasten en bidden dikwijls, maar de uwen eten en drinken.stylus1 Petrus 3:2, 1 Petrus 3:7, 1 Petrus 3:2, 1 Petrus 3:7, Efeziërs 5:2234Jesus zei hun: Kunt gij dan de bruiloftsgasten laten vasten, zolang de bruidegom bij hen is?stylus35Maar er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen wordt weggenomen; in die dagen zullen ze vasten.stylus36Ook sprak Hij tot hen de volgende gelijkenis: Niemand scheurt een lap uit een nieuw kleed, om hem op een oud kleed te zetten; anders scheurt hij het nieuwe kleed stuk, terwijl de lap van het nieuwe toch niet bij het oude past.stylus37Ook giet niemand nieuwe wijn in oude zakken; anders doet de nieuwe wijn de zakken bersten; de wijn loopt weg, en de zakken gaan verloren.stylus38Neen, nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen.stylus39En niemand, die oude wijn heeft te drinken, verlangt naar de nieuwe; want hij zegt: de oude is best.stylus