Sacrilo

enEnglishtrTürkçeesEspañolptPortuguêsfrFrançaisdeDeutschzh中文ruРусскийja日本語ko한국어viTiếng ViệtthไทยplPolskiukУкраїнськаhuMagyarcsČeštinasrСрпскиslSlovenščinasqShqiplvLatviešuetEestinlNederlandschecknbNorskdaDansksvSvenskafiSuomiitItalianoheעבריתhrHrvatskilaLatinaarالعربية

DASHBOARD

dashboardOverzichtmenu_bookLees de BijbelquizDagelijkse Quizevent_noteMijn PlannenbookmarksBladwijzers

STUDIEHULPMIDDELEN

searchZoekencompare_arrowsBijbel Vergelijking
menu_book

Lucas Hoofdstuk 6

NlCanisius1939
arrow_backVorig HoofdstukVolgend Hoofdstukarrow_forward
LUCAS

Lucas 6

1Eens ging Hij op een sabbat door een korenveld, en zijn leerlingen plukten aren af, wreven ze met de handen uit, en aten ze op.
Kolossenzen 3:20, Kolossenzen 3:25, Kolossenzen 3:20, Kolossenzen 3:25, Spreuken 23:22
2Enige farizeën zeiden dus: Waarom doet gij, wat op de sabbat niet is geoorloofd?
Exodus 20:12, Exodus 20:12, Deuteronomium 27:16, Deuteronomium 27:16, Mattheüs 15:4
3Jesus gaf hun ten antwoord: Hebt ge dan niet gelezen, wat David deed, toen hij met zijn gevolg honger had?
Deuteronomium 5:16, Deuteronomium 5:16, Deuteronomium 4:40, Deuteronomium 4:40, Deuteronomium 12:28
4Hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam en opat, en er van gaf aan hen die bij hem waren? En toch mag niemand ze eten, dan de priesters alleen.
Kolossenzen 3:21, Kolossenzen 3:21, Spreuken 22:6, Spreuken 22:6, Spreuken 29:15
5Ook zeide Hij hun: De Mensenzoon is Heer van de sabbat.
1 Petrus 2:18, 1 Petrus 2:21, 1 Petrus 2:18, 1 Petrus 2:21, Titus 2:9
6Op een andere sabbat ging Hij de synagoge binnen, om onderricht te geven. Daar was een man, wiens rechterhand was verdord.
Kolossenzen 3:22, Kolossenzen 3:23, Kolossenzen 3:22, Kolossenzen 3:23, Galaten 1:10
7De schriftgeleerden en farizeën bespiedden Hem, of Hij ook op de sabbat zou genezen, om Hem dan te kunnen beschuldigingen.
Kolossenzen 3:23, Kolossenzen 3:23, Efeziërs 6:5, Efeziërs 6:6, Efeziërs 6:5
8Daar Hij hun gedachten kende, sprak Hij tot den man met de verdorde hand: Sta op, en kom in het midden. Hij stond op, en ging er staan.
Kolossenzen 3:24, Kolossenzen 3:24, Lucas 14:14, Lucas 14:14, 2 Korintiërs 5:10
9Nu sprak Jesus tot hen: Ik vraag u, of men op de sabbat goed mag doen of kwaad, iemand redden of doden?
Kolossenzen 3:25, Kolossenzen 4:1, Kolossenzen 3:25, Kolossenzen 4:1, Handelingen 10:34
10Hij liet zijn blik over hen allen gaan, en sprak tot hem: Strek uw hand uit! Hij strekte ze uit, en zijn hand was genezen.
Filippenzen 4:13, Filippenzen 4:13, Jesaja 40:31, Jesaja 40:31, Jozua 1:9
11Maar ze werden razend van woede, en bespraken onder elkander, wat ze Jesus zouden doen.
2 Korintiërs 10:4, 2 Korintiërs 10:4, Romeinen 13:12, Romeinen 13:12, Efeziërs 6:13
12In die dagen ging Hij het gebergte in, om te bidden, en bracht er de nacht door in het gebed tot God.
Kolossenzen 1:13, Kolossenzen 1:13, 2 Korintiërs 4:4, 2 Korintiërs 4:4, Efeziërs 2:2
13Toen de dag aanbrak, riep Hij zijn leerlingen bijeen, en koos er twaalf van hen uit, die Hij apostelen noemde:
2 Korintiërs 10:4, 2 Korintiërs 10:4, Efeziërs 6:11, Efeziërs 6:17, Efeziërs 6:11
14Simon, dien Hij ook Petrus noemde, en Andreas, zijn broer; Jakobus en Johannes; Filippus en Bartolomeüs;
Jesaja 59:17, Jesaja 59:17, 1 Tessalonicenzen 5:8, 1 Tessalonicenzen 5:8, Jesaja 11:5
15Matteüs en Tomas; Jakobus van Alfeüs, en Simon, bijgenaamd de ijveraar,
Jesaja 52:7, Jesaja 52:7, Romeinen 10:15, Romeinen 10:15, 2 Korintiërs 5:18
16Judas (broer) van Jakobus, en Judas Iskáriot, die een verrader werd.
1 Petrus 5:8, 1 Petrus 5:9, 1 Petrus 5:8, 1 Petrus 5:9, 1 Johannes 5:4
17Nu daalde Hij met hen af, en bleef op een vlakte staan. Daar bevond zich ook een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel Judea en Jerusalem, en uit het kustland van Tyrus en Sidon,
Hebreeën 4:12, Hebreeën 4:12, Jesaja 59:17, Jesaja 59:17, Openbaring 19:15
18die gekomen waren, om Hem te horen en van hun kwalen genezen te worden. Allen, die door onreine geesten werden gekweld, werden genezen.
1 Tessalonicenzen 5:17, 1 Tessalonicenzen 5:17, Kolossenzen 4:2, Kolossenzen 4:2, Filippenzen 4:6
19En al het volk zocht Hem aan te raken; want er ging een kracht van Hem uit, die allen genas.
Kolossenzen 4:3, Kolossenzen 4:3, Handelingen 4:29, Handelingen 4:29, 2 Tessalonicenzen 3:1
20Nu sloeg Hij zijn ogen op naar zijn leerlingen, en sprak: Zalig gij armen; want aan u behoort het koninkrijk Gods.
2 Korintiërs 5:20, 2 Korintiërs 5:20, Kolossenzen 4:4, Kolossenzen 4:4, Filippenzen 1:7
21Zalig gij, die thans honger lijdt; want gij zult worden verzadigd. Zalig gij, die nu weent; want gij zult lachen.
Handelingen 20:4, Handelingen 20:4, 2 Timotheüs 4:12, 2 Timotheüs 4:12, Titus 3:12
22Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten, u om den Mensenzoon uitbannen en honen, en smaad werpen op uw naam.
Kolossenzen 4:7, Kolossenzen 4:8, Filippenzen 2:25, Kolossenzen 4:7, Kolossenzen 4:8
23Verheugt u op die dag en jubelt; zie, uw loon is groot in de hemel. Want zó hebben hun vaders de profeten behandeld.
Galaten 6:16, Galaten 6:16, 1 Petrus 5:14, 1 Petrus 5:14, Galaten 5:6
24Maar wee u, rijken; want gij hebt uw troost al ontvangen.
Mattheüs 22:37, Mattheüs 22:37, 2 Korintiërs 8:12, 2 Korintiërs 8:12, Mattheüs 6:13
25Wee u, die thans zijt verzadigd; want gij zult honger lijden. Wee u, die nu lacht; want gij zult treuren en wenen.
26Wee u, wanneer alle mensen u prijzen; want zó hebben hun vaders met de valse profeten gedaan.
27Maar Ik zeg tot u, die naar Mij luistert: Bemint uw vijanden; doet wel aan die u haten;
28zegent die u vloeken; bidt voor wie u lasteren.
29Wie u op de ene wang slaat, keer hem ook de andere toe; en wie u van de mantel berooft, weiger hem ook het onderkleed niet.
30Geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis het uwe niet terug van hem, die het neemt.
31En zoals ge wilt, dat de mensen u doen, doet het ook aan hen.
32Als gij bemint die u liefhebben, wat voor verdienste hebt gij dan wel? Want ook de zondaars hebben lief, die hen beminnen.
33Als gij weldoet aan hen die u weldoen, wat voor verdienste hebt gij dan wel? De zondaars doen dat immers ook.
34En als gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets terug te krijgen, wat voor verdienste hebt gij dan wel? Ook de zondaars lenen aan zondaars, om evenveel terug te krijgen.
35Neen, hebt uw vijanden lief, doet wel en leent uit, zonder er iets voor terug te hopen; dan zal uw loon groot zijn, en zult gij kinderen zijn van den Allerhoogste. Hij is goedertieren, zelfs voor de ondankbaren en bozen.
36Weest dus barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.
37Oordeelt niet, en gij zult niet worden geoordeeld. Vonnist niet, en gij zult niet worden gevonnist. Spreekt vrij, en gij zult vrijgesproken worden.
38Geeft, en u zal worden gegeven: een goede, volgestampte, geschudde en overlopende maat zal u in de schoot worden gestort. Want met de maat, waarmee ge meet, zal ook u worden gemeten.
39Hij zei hun ook een gelijkenis. Kan een blinde een blinde leiden? Vallen dan beiden niet in een kuil?
40Geen leerling staat boven den leraar; slechts de goedgevormde leerling zal als zijn leraar zijn.
41Hoe ziet ge de splinter in het oog van uw broeder, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet?
42Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter trekken uit uw ogen, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet? Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog; dan zult ge zien, hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken.
43Neen, er is geen goede boom, die slechte vruchten draagt; geen slechte boom, die goede vruchten draagt.
44Want iedere boom wordt aan zijn vruchten gekend; van doornen plukt men geen vijgen, en van een braambos snijdt men geen druiven.
45De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; maar de slechte mens brengt uit de slechte schat het slechte voort. Want de mond spreekt, waar het hart vol van is.
46Waarom noemt gij Mij Heer, Heer; en gij doet niet wat Ik zeg?
47Wie tot Mij komt en mijn woorden hoort, maar zich er ook naar gedraagt. Ik zal u tonen aan wien hij gelijk is.
48Hij is gelijk aan een man, die een huis wilde bouwen, die graven en uitdiepen bleef, en de grondslag legde op de rots. Toen er nu een stortvloed kwam, beukte de stroom tegen dit huis; maar hij kon het niet doen wankelen, want het was stevig gebouwd.
49Maar wie hoort, en er niet naar handelt, is gelijk aan een man, die een huis zonder grondslag bouwde, boven op de grond. De stroom beukte er tegen aan; het huis viel aanstonds in, en werd geheel verwoest.

Andere Boeken

LucasJohannesHandelingen+

Andere Boeken

LucasHfst. 6
JohannesHandelingenRomeinen1 Korintiërs2 Korintiërs
Alle Boekenarrow_forward
auto_storiesSacrilo

Het Woord dichterbij brengen, vers voor vers. Ontworpen voor dagelijkse bezinning en geestelijke groei.

Sacrilo

Over onsContactBijbel App

Verbinden

© 2026 Sacrilo.

PrivacybeleidGebruiksvoorwaardenCookies
auto_stories

Latest Answers

What Is the Kingdom of God?
read_more

What Is the Kingdom of God?

What Is the Final Judgment?
read_more

What Is the Final Judgment?

What Is the Bible’s View of Love?
read_more

What Is the Bible’s View of Love?

What Is Teleology in Theology?
read_more

What Is Teleology in Theology?

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?
read_more

What Is Continuous Creation (Creatio Continua)?

What Is the Lord’s Supper / Communion?
read_more

What Is the Lord’s Supper / Communion?

View Allarrow_forward