1Redt u, Benjamins zonen Buiten Jerusalems muren; Blaast de bazuin in Tekóa Hijst het signaal in Bet-Hakkérem! Want uit het noorden komt onheil, Een ontzettende ramp;stylusDeuteronomium 32:39, Deuteronomium 32:39, Job 5:18, Job 5:18, 1 Samuël 2:62De bekoorlijke en wufte, De dochter van Sion ga Ik verdelgen.stylus2 Koningen 20:5, 2 Koningen 20:5, Ezechiël 37:11, Ezechiël 37:13, Ezechiël 37:113De herders trekken er Met hun kudden op af; Ze slaan om haar hun tenten op, En allen weiden hun gronden af.stylusHosea 14:5, Jeremia 24:7, Psalmen 72:6, Hosea 14:5, Jeremia 24:74Rust u ten strijde tegen haar uit; Vooruit, bestormen we haar overdag! Helaas, de dag gaat al voorbij, De avond-schaduw wordt langer.stylusHosea 13:3, Hosea 11:8, Hosea 13:3, Hosea 11:8, Psalmen 78:345Vooruit, dan bestormen we haar in de nacht, En vernielen haar burchten; Want Jahweh der heirscharen Heeft het bevolen!stylusJeremia 23:29, Jeremia 23:29, Jeremia 1:10, Jeremia 1:10, Jeremia 5:146Hakt haar bomen neer, En werpt een wal tegen Jerusalem op; Het is een stad vol bedrog, Binnen haar muren heerst enkel geweld.stylusMattheüs 9:13, Mattheüs 9:13, Mattheüs 12:7, Mattheüs 12:7, Spreuken 21:37Zoals een bron haar water laat stromen, Zo stroomt ook zij haar boosheid uit; Men hoort er slechts van geweld en verdrukking, Steeds zie Ik wonden en striemen.stylusHosea 8:1, Hosea 5:7, Hosea 8:1, Hosea 5:7, Job 31:338Jerusalem, laat u gezeggen, Opdat Ik van u niet ga walgen, En een woestijn van u maak, Een onbewoond land.stylusHosea 12:11, Hosea 12:11, Mattheüs 26:15, Mattheüs 26:16, 1 Koningen 2:59Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Lees nu als laatste tros aan de wingerd Het overschot van Israël na; Steek uw hand er naar uit, Zoals de wijngaardenier naar de ranken.stylusSefanja 3:3, Hosea 5:1, Hosea 7:1, Sefanja 3:3, Hosea 5:110Tot wien moet ik spreken, Wien nog vermanen, zodat ze luisteren; Zie hun oor is onbesneden, Ze kunnen niet horen! Ja, het woord van Jahweh is hun een bespotting, Ze willen er niet meer naar horen:stylusHosea 5:3, Hosea 5:3, Jeremia 23:14, Jeremia 5:30, Jeremia 5:3111Al lang ben ik vol van Jahweh’s toorn, Nu houd ik hem niet langer in. Stort hem dan uit over het kind op de straat, Over heel de kring van jonge mannen! Waarachtig, mannen en vrouwen worden getroffen, Grijsaards en ouden van dagen!stylusJoël 3:13, Joël 3:13, Jeremia 51:33, Job 42:10, Jeremia 51:3312Hun huizen gaan aan vreemden over, Met akkers en vrouwen er bij; Want Ik heb mijn hand al uitgestrekt Tegen de bewoners van het land, spreekt Jahweh!stylus13Want van klein tot groot Azen allen op winst, Profeet en priester Plegen allen bedrog;stylus14Ze menen, de wonde van mijn volk te genezen, Door luchthartig te roepen: Vrede, vrede! En er is geen vrede!stylus15Ze worden te schande, omdat ze zich schandelijk gedragen, Omdat ze niet blozen en geen schaamte meer kennen; Daarom zullen ze vallen, als alles ineen valt, Struikelen, als Ik op hen afkom, spreekt Jahweh!stylus16Zo spreekt Jahweh: Gaat op de wegen staan, Ziet uit, en vraagt naar de paden van vroeger: Waar de goede weg is te vinden; Bewandelt die, dan vindt ge rust voor uw ziel! Maar ze zeiden: We volgen hem niet!stylus17Toen stelde Ik wachters over hen aan, Die riepen: Hoort het geschal der bazuinen! Maar ze zeiden: We willen niet horen!stylus18Hoort gij het dan, volken, En verneemt mijn besluit, Wat er met hen gaat gebeuren:stylus19Hoort gij het ook, aarde! Zie, Ik ga rampen brengen over dit volk: De vrucht van hun afval. Want ze hebben naar mijn woord niet geluisterd, Mijn wet veracht.stylus20Wat geeft Mij de wierook uit Sjeba, De geurige kalmus uit verre landen; Uw brandoffers wil Ik niet meer, Uw slachtoffers behagen Mij niet.stylus21Daarom spreekt Jahweh: Zie, Ik leg voor dit volk Een blok, waarover het struikelt, Waaraan vaders en zonen, Buren en vrienden te gronde gaan.stylus22Zo spreekt Jahweh: Zie, daar komt een volk uit het land van het noorden, Een grote natie rukt aan van de grenzen der aarde:stylus23Met boog en lansen gewapend, Wreed en zonder erbarmen. Hun kreten loeien als de zee, Op rossen jagen ze voort, Toegerust als oorlogsmannen, Tegen u, dochter van Sion.stylus24We horen wat er van hen wordt verteld, En onze handen hangen er slap van; Angst grijpt ons aan, Weeën als van een barende vrouw.stylus25Gaat niet naar buiten, Loopt de wegen niet op, Want het zwaard van den vijand Brengt schrik allerwege!stylus26Dochter van Sion, steek u in zakken, En wentel in as; Rouw als over een enig kind, stoot bittere klachten uit: Want plotseling komt over ons de verwoester!stylus27Ik heb u bevolen, mijn volk te toetsen, Om hun gedrag te kennen en te keuren:stylus28Allen zijn ze weerbarstig, Allen even ongedurig; Louter koper en ijzer, Allen even bedorven!stylus29De blaasbalg puft, Het lood smelt weg door het vuur; Tevergeefs gelouterd: De slakken gaan er niet uit.stylus30Afgekeurd zilver zal men ze noemen, Want Jahweh heeft ze afgewezen!stylus